Een podium voor de Zaanse klok in het land van Albert Heijn

Museum Zaanse Tijd opende dit voorjaar een compleet vernieuwde presentatie van haar collectie Zaanse klokken. In een in 19e-eeuwse stijl ingerichte woonkamer komen ze beter tot hun recht dan ooit. Die aanpak reflecteert de missie van het museum: laten zien hoezeer de Zaanse klok verweven is met de industriële geschiedenis van de Zaanstreek.

De Zaanstreek was in de zestiende eeuw het allereerste industriegebied van Nederland. Het begon met het gebruik van de net uitgevonden molen met krukas, waarmee op grote schaal hout gezaagd kon worden. Al snel volgden honderden andere molens die de productie van bijvoorbeeld papier, verf, cacaopoeder en gepelde rijst mogelijk maakten.

Ook de Zaanse zakenman Kornelis Volger deed in papier en was eigenaar van een windmolen. Maar vermoedelijk had hij ook het vak van klokkenmaker geleerd. Volger bouwde de eerste Zaanse klok, bedoeld als huisuurwerk. Een relatief goedkoop model in een eenvoudige houten kast, waarin hij zijn technische kennis van molentechniek combineerde met het recent door Christiaan Huygens uitgevonden slingeruurwerk.

Het sloeg zo aan bij de burgerbevolking, dat een nieuwe Zaanse industrietak ontstond van seriematig geproduceerde klokken. Van 1670 tot 1750 was het in de Zaanstreek een bloeiende branche. In de loop der jaren werd het eenvoudige oermodel in steeds luxere varianten gemaakt, met duurder materiaal en uitbundige versiering. De opkomst van de Friese klok luidde het einde in van de populariteit.

Hernieuwde interesse

Maar aan het eind van de negentiende eeuw was er hernieuwde interesse in antiek en ambachtelijkheid. De Zaanse klokken, gemaakt naar voorbeeld van de oude modellen en nu voorzien van een houten puntdakje, deden het weer goed. En vlak na de tweede wereldoorlog was er nogmaals een enorme opleving in de vraag. Met honderdduizenden gingen de replica’s in binnen- en buitenland over de toonbank. Omdat de klokkenindustrie tegen die tijd uit de Zaanstreek verdwenen was, werden ze in allerlei andere Nederlandse plaatsen geproduceerd, van Schoonhoven tot Almelo. Op dit moment gaan veel oudere exemplaren naar de VS.

Twee mannen en de Zaanse Schans

Twee ondernemende Zaankanters staan aan de wieg van het huidige museum. Eerst was daar in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatselijk architect Jaap Schipper. Met lede ogen zag hij hoe in de omgeving steeds meer authentieke houten huizen verkrotten of werden gesloopt. Jaap begon die vervallen of in de weg staande panden op te kopen.

Hij zette ze bij elkaar op de Zaanse Schans en werd daarmee de grondlegger van het gelijknamige kunstmatige dorpje aan de rivier de Zaan. De Zaanse Schans is echter uitdrukkelijk geen openluchtmuseum. De huizen worden bewoond, de molens zijn in gebruik. Sommige bewoners verdienen de kost met kleine winkels, een kaasmakerij of horeca.

In 1976 werd het laatste huis geplaatst, een voormalige ondernemerswoning, met de uitdrukkelijke bedoeling er een museum van te maken. Zakenman Ber van der Molen, de tweede belangrijke man in dit verhaal, bracht zijn collectie klokken onder in de woning. Vanaf dat moment was dat het Museum van het Nederlandse Uurwerk.

Onvoldoende focus

Tien jaar later besloot Ber van der Molen echter zijn geld anders te gaan beleggen. Een schok in de Zaanstreek, en het startsein voor een grootscheepse inzamelingsactie. Met de opbrengst werd de collectie gekocht en ondergebracht in een stichting.

Hoewel de Zaanse Schans honderdduizenden toeristen uit de hele wereld trekt, stapten weinig mensen over de drempel van het museum Toen in 2015 ook nog de gemeentelijke subsidie ophield, besloot het bestuur dat het tijd werd voor een andere strategie. De huisvesting was prachtig, maar de collectie had onvoldoende focus. Een nieuwe aanpak moest vooral het verhaal over de geschiedenis van en het klokkenambacht in de Zaanstreek beter gaan vertellen. Daar hoorde om te beginnen een nieuwe naam bij.

Woonkamer

De presentatie in de woonkamer is het resultaat van de huidige focus. De wanden zijn authentiek Zaans roze geverfd. Voorheen verduisterde ramen laten weer licht binnen. Een gezellige eettafel met stoelen en een bos bloemen maken het huiselijk. Aan de wanden zijn alle mogelijke Zaanse klokken de blikvangers. Van het simpele oermodel tot steeds verfijnder exemplaren van edele houtsoorten en met signatuur. Elders in het museum is een aantal staande klokken uit de streek te zien, een collectie zakhorloges en natuurlijk de grote torenuurwerken. Maar er is geen twijfel mogelijk. Dit museum gaat over de Zaanse klok.

dav

 

Dit artikel verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

http://www.mnuurwerk.nl

Advertenties

Carola viel altijd op donkere vrouwen, totdat ze Sanne tegenkwam

Nanas by Niki de Saint Phalle, exhibit at the Guggenheim Museum.

Carola (32) viel altijd op donker gekleurde vrouwen met buitenlandse wortels. Nu is ze smoorverliefd op de oer-Hollandse Sanne (30).

“Wat nou de reden was dat ik Sanne’s foto op Tinder naar rechts swipete en niet naar links, zoals ik bij de meesten deed? Ik weet het niet. Ze had één foto geplaatst, zonder enige tekst. Normaal gesproken zou ik dan niet reageren. Ik heb er nog met een collega over gesproken. ‘Dat wordt niks’, zei ik, ‘ze is hartstikke blank.’ Maar er was iets in haar gezicht dat me trok. Ze had een heel heldere, open blik. Blauwe ogen, blond haar, een mooie mond. Heel Nederlands zag ze er uit. Totaal anders dan de vrouwen waar ik normaal gesproken op viel.

Dat waren meestal vrouwen met een kleurtje. Nog niet toen ik een puber was in een klein Zeeuws stadje. Daar zijn nu eenmaal zowel minder lesbiennes als minder donkere mensen dan in de Randstad.  Mijn eerste vriendinnetje op mijn vijftiende of zestiende was gewoon een blank meisje uit Rijswijk, dat ik via internet had leren kennen. Ik was wel altijd heel geïnteresseerd in andere culturen. Op de basisschool waren mijn beste vriendinnetjes vluchtelingenkinderen uit Palestina. Hun families waren gastvrij, net zoals mijn eigen familie. We hadden een tamelijk groot gezin met vijf kinderen waar altijd iedereen mee mocht eten. Bij Nederlandse gezinnen was die vanzelfsprekende gezelligheid veel minder.

Op mijn 22e kreeg ik een relatie met een Amsterdamse van deels Surinaamse afkomst. Ze was heel mooi en lief, had een fantastische  bos krullen. Een vrouwelijke vrouw, waarvan je niet zou zeggen dat ze pot was. Voor haar verhuisde ik naar de hoofdstad. We hebben ruim zes jaar samengewoond. Bij haar familie vond ik ook de gezelligheid waar ik zo van houd. Surinaamse feesten zijn geweldig. Vaak groot, met heel veel mensen en heel veel lekker eten. Er is muziek, er wordt gedanst. En bij mijn schoonmoeder konden we altijd aanschuiven. Ik denk dat in die tijd mijn voorkeur voor donkere vrouwen is ontstaan.

Uiterlijk is natuurlijk het eerste waar je naar kijkt, en de relaties daarna waren altijd met gekleurde vrouwen met buitenlandse wortels. Verder waren ze uiterlijk heel verschillend. Zo was een van mijn vriendinnen een stoere Antilliaanse die op hoog niveau zwom. Ik houd van stevige heupen en billen, terwijl zij juist door dat zwemmen hele brede schouders had en totaal geen billen. Uiteindelijk gaat het er toch om of karakters bij elkaar passen.

Met Sanne gaat alles vanzelf. We hebben nog nooit ruzie gehad. Al tijdens de eerste afspraak was het echt gezellig. Praten ging heel gemakkelijk, heel natuurlijk. We spraken nog een keer af, en nog eens. Na een maand vroeg ik of ze mijn vriendin wilde zijn. En nu, vijf maanden verder, zijn we elke dag samen. Zij is heel relaxed. Ze probeert me niet te veranderen. Dat voelt veilig. Ik kan mezelf zijn met al mijn vreemde dingetjes. Rare geluidjes maken bijvoorbeeld, of in mezelf praten. Ze weet nu al wanneer ze daar wel of niet op hoeft te reageren. Ik ben een zorgzaam iemand, maar kan ook haar zorgzaamheid accepteren.

Op straat of op TV kijk ik nog steeds eerder naar donkere vrouwen dan naar blanke. Sanne kijkt natuurlijk ook wel eens naar mooie vrouwen of mannen. We hebben geen van beide onze ogen in onze zak zitten. Toch kiezen we voor monogamie. In het verleden was dat wel eens anders. Dan bleef het niet bij kijken alleen. Nu vind ik dat een beetje spanning en avontuur niet opweegt tegen de rust van iemand op wie je kunt bouwen. Ik ben tevreden en blij. En kijken mag altijd.”

Dit artikel verscheen eerder in het AD Magazine van 18 mei 2019

https://tinder.com/

https://weareher.com/

https://www.zoeapp.co/

https://vrouwvrouw.nl/lesbisch-daten-in-zeeland

De Gravin zoekt het zelf uit

Een opleiding tot handgraveur is er in Nederland niet meer. Gelukkig zijn er wel mensen als Cécile Oorthuis. Zó gegrepen door het vak, dat ze haar kennis op eigen houtje overal vandaan haalt en voortdurend verdiept. Tot vreugde van menig branchegenoot.

“Op mijn achttiende twijfelde ik tussen de Vakschool in Schoonhoven en het conservatorium in Amsterdam. Die twijfel was niet zo vreemd. Mijn ouders waren goudsmeden en hadden een winkel met sieraden en edelstenen. Wij kinderen waren als vanzelfsprekend bezig met edelstenen, met beitels, met stenen slijpen. Kortom, met allerlei fijn handwerk. Uiteindelijk koos ik toch voor de muziek en werd professioneel dwarsfluitiste. Ik speelde in een orkest, gaf les en vormde met een harpiste een duo, dat nu al vijfentwintig jaar optreedt.

Levendig

Het graveren kwam in 2010 op mijn pad toen een kennis vertelde dat ze in Schoonhoven een cursus handgraveren ging doen. ‘Jeetje, dat zou ook iets voor mij zijn,’ dacht ik meteen, en inderdaad had ik tijdens de basiscursus van tien avonden direct de smaak te pakken. Daarom deed ik bij Zadkine in Amsterdam een vervolgcursus. Dat er verder geen officiële opleiding meer is zag ik als kans, want er zijn weinig mensen die nog handgravures kunnen maken. Terwijl er ondanks computergestuurde- en lasertechnieken zeker vraag naar is. Omdat ze levendiger zijn en eeuwen meegaan. Al snel bedacht ik de bedrijfsnaam De Gravin. Dat klinkt aantrekkelijker dan het wat stijve graveuse.

Oefenen en internet

Het was en is vooral heel veel oefenen. Die zelfdiscipline ben ik als muzikant gewend, en ik vind het werk gewoon heel leuk. Verder ben ik ontzettend gaan snuffelen op internet. Er bleek heel veel zinnige informatie te vinden over het vak en vakgenoten. Zo bestudeerde ik het werk van vooral Amerikaanse master engravers. En ik stuitte op het bestaan van een pneumatische steker, die een eind zou moeten maken aan schouderklachten. Die had ik al snel, omdat ik zoveel oefende. Van een Haarlemse graveur die de Airgraver gebruikte mocht ik het apparaat lenen. Het werkte zo fijn, dat ik al na een dag besloot er zelf een aan te schaffen. Verder heb ik weinig contact met andere handgraveurs. Er zijn er ook niet zo veel. Hun aantal is bijna op de vingers van één hand te tellen.

Klantenkring overnemen

Eind 2013 wilde Herma Lancée haar graveerbedrijf hier in de buurt sluiten vanwege, inderdaad, een hardnekkige schouderblessure. Ze vroeg of ik haar klanten over wilde nemen. Ik ben met allemaal gaan kennismaken en ze wilden graag met mij verder. In januari 2014 werd De Gravin een officieel bedrijf. Mijn klantenkring bestaat voor ongeveer de helft uit juweliers. De andere helft zijn antiquairs, particulieren en organisaties die iets bijzonders willen.

Zweten

Veel mensen zijn de laatste jaren op zoek naar unieke ervaringen en authenticiteit. Ze houden van handgemaakte spullen, van persoonlijke cadeaus. Adellijke families hebben daar een langere traditie in. Ze komen bij mij voor het graveren van zegelringen en gebruiksvoorwerpen. Maar voor een andere particulier heb ik bijvoorbeeld een kindertekening op manchetknopen gegraveerd. Een antiquair heb ik geholpen bij de restauratie van een octant, een houten meetapparaat uit de scheepvaart. De graadverdeling moest gestoken worden op nieuwe ivoren plaatjes. Heel eervol is het graveren van de prijs voor de meest spraakmakende regisseur bij het Nederlands Film Festival in Utrecht. De moeilijkste klus tot nu toe was een tekst in een oester. Als je daar een stukje verkeerd wegsteekt is de schade onherstelbaar. Toen heb ik wel gezweet ja.

Sam Alfano

Tijdens mijn surfsessies op internet was me opgevallen dat vooral Amerikanen veel respect hebben voor ambachtslieden. Sam Alfano uit Louisiana is daar een meestergraveur met een grote naam. Hij bleek af en toe privéleerlingen aan te nemen. Het lukte me om er daar een van te zijn. Ik heb toen een week lang vooral technische lessen bij hem gevolgd. In shading, het mooi steken van schaduw, in sculpting, dat is heel veel materiaal weghalen tot er een reliëf blijft staan, in goud inleggen en in running leaf, een soort kettingdecoratie. Sam gaf me veel complimenten, dat was natuurlijk leuk. Al snel na mijn terugkomst was er een klant die zo’n running leaf op een stalen horlogekast wilde. Dat lukte!

Edelsteengraveren

Verder blijf ik me ontwikkelen door mezelf opdrachten te geven. Ik heb een begin gemaakt met edelsteengraveren. Vooral voor gebruik in zegelringen, met een familiewapen of monogram er in. Het is een heel andere techniek, waar ik me helemaal in vast ga bijten. Het mooie vind ik dat het ook een link heeft met thuis, met de edelstenen die ik elke dag in handen had bij mijn ouders. Ik krijg hulp van Henk de Groot, de laatste maar inmiddels gepensioneerde edelsteengraveur van Nederland, en veel juweliers geven me oefenstenen. Iedereen wil zó graag dat ik het ga doen. Want verder wordt edelsteengraveren vrijwel uitsluitend gedaan in Idar-Oberstein. Het is een potdichte wereld.

Erfgoed

Afgelopen jaar wilde ik mezelf toetsen aan de ballotagecommissie van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Zij nemen ook handgraveurs en diamantzetters op, maar hun lijst met technische voorwaarden is lang. Je moet je eigen gereedschap kunnen maken en allerlei graveertechnieken beheersen. Ik ben er trots op dat ik de toets doorstaan heb en nu lid ben van het Gilde. Dat er helemaal geen vakopleiding meer is was voor mij een kans, maar het blijft ook jammer. Handgraveren is toch bijna immaterieel erfgoed.”

https://degravin.jimdo.com/

 

Dit verhaal verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

Trijntje overleed jong, en Jannes vond nooit meer een vrouw die bij hem paste

Voor Jannes (74) met Trijntje trouwde was hij een rokkenjager. Sinds zijn vrouw 23 jaar geleden stierf heeft hij niemand meer gevonden die helemaal bij hem past.

“ ‘Trijntje kwam op de Veluwe een loner tegen’, zei een vriend die sprak op haar begrafenis. Dat klopte. Als jonge man was ik geen deel van een hechte vriendengroep. Door mijn streng-Christelijke opvoeding had ik een sociale achterstand. Bij ons thuis werd niet geknuffeld, en op zondag waren voetballen, zwemmen of dansen uit den boze. Het was een leven waar geen vreugde aan te pas kwam. Het maakte me kwaad en voor altijd onrustig. Vanaf het moment dat ik het ouderlijk huis verliet deed ik alleen nog waar ik zélf zin in had, op de manier die ík wilde.

Het waren de jaren zestig en zeventig. De tijd van seks en drugs en rock&roll. Ik had een woeste bos haar, droeg altijd leren jasjes en spijkerbroeken. Ik zat niet achter de vrouwen aan. Ze kwamen zelf op me af. Geen degelijke gereformeerde vrouwen, maar wereldse types met een open uitstraling. Dat kwam goed uit, want die vond ik interessant. Met tientallen van hen deelde ik het bed. Soms had ik meerdere vriendinnen tegelijk. Toen ik op mijn 27ste Trijntje ontmoette en we een relatie kregen veranderde daar niets aan.

Ze wist ervan, want ik sliep weleens niet thuis. Maar we hadden het er nooit over. Trijntje accepteerde mijn moeilijke kanten. Ik ben onbeheerst, heb geen vriendelijke uitstraling. Uit het niets kan ik woest worden. Daar kon ze mee omgaan, ze bleef kalm. Na vijf jaar gingen we samenwonen in een huis dat mijn toenmalige werkgever voor ons geregeld had. Op een gegeven moment zei hij: ‘Doe me een lol en ga trouwen. Anders krijg ik in deze christelijke gemeente nooit meer een woning voor andere personeelsleden.’ Ik vond trouwen intens burgerlijk. Uit verstandelijke overwegingen heb ik het toch gedaan.

Het eerste jaar van ons huwelijk ging ik iedere avond tegen tienen een eindje rijden om mijn onrust kwijt te raken. Ik hield wel meteen op met andere vrouwen naar bed te gaan. Omdat ik dacht: ‘Dit kan zo niet doorgaan. Dan had je maar niet moeten trouwen.’ Vanaf die tijd heb ik me helemaal op Trijntje gericht en werd de relatie steeds beter. Geestelijk voelde het alsof we altijd samen waren, terwijl we elkaar heel vrij lieten in hoe we wilden werken en onze vrije tijd inrichten. Ook de hartstocht nam alleen maar toe. Ik heb sindsdien geen andere vrouwen meer begeerd.

Op haar 46e kreeg Trijntje kanker. Een jaar later was ze dood. Na bijna twintig jaar een heel hecht leven met zijn tweeën moest ik alles alleen doen. Ik had er grote moeite mee, al functioneerde ik wel op mijn werk, met sporten, met bezoeken afleggen bij vrienden en kennissen. Voor vrouwen stond ik heel lang totaal niet open. Tot er uiteindelijk een vurige verstandhouding ontstond met een jonge weduwe die ik via vrienden ontmoette, een slimme vrouw met een brede kijk op het leven.

Toch verwaterde het fysieke op een gegeven moment. Hetzelfde gebeurde daarna met een vroegere vlam die weer opdook. Toen ben ik rationeel gaan denken. Hoofd en kruis moeten in balans zijn, en Trijntje is de enige van wie ik echt op die manier gehouden heb. Mijn grote huis is vaak te klein voor mijn energie en onrust. Daar kan geen vrouw meer bij. Bovendien wil ik niet oud worden met een oude vrouw. Terwijl ik me van een jongere vrouw zou afvragen wat ze moet met mij. Als Trijntje was blijven leven, was ik meegegroeid in haar ouder worden en hadden we het vuur er zeker in kunnen houden. Nu kan ik die knop niet meer omzetten. ”

Dit verhaal verscheen eerder in het AD Magazine van 4 mei 2019

https://www.linda.nl/nieuws/rouwspecialist-nieuwe-liefde-overlijden-partner-schuldgevoel/

Nieuwe liefde na de dood van je partner

http://www.deatheist.nl/index.php/de-auteur

https://ikbeneenafvallige.wixsite.com/ikbeneenafvallige/single-post/2015/06/27/Religieuze-opvoeding

Ze heeft heftige levensthema´s, maar maakt hem toch vrolijk

Rein (41) en Lieke (29) zijn allebei sociaal werker. Ze helpen graag andere mensen. En elkaar.

“Lieke had overal schijt aan. Ze flapte er alles uit wat ze dacht, had altijd wat te ouwehoeren, was altijd vrolijk. Ik vond haar leuk, maar zat nog midden in een relatie. Bovendien was ze mijn stagiaire en een heel stuk jonger dan ik.

Mijn toenmalige vriendin en ik leefden voor een groot deel langs elkaar heen. Ik was ongelukkig, maar praatte liever niet over mijn eigen sores. Hoewel ik dat opkroppen helemaal niet stoer vind. Alleen: ik praatte al zoveel op mijn werk. Dan had ik daar thuis geen zin meer in. Uiteindelijk ben ik toch naar een psycholoog gegaan, die me hielp na te denken of het verstandig was om in die relatie te blijven. Ik realiseerde me dat je steeds moet investeren in contact en communicatie. Anders raak je elkaar kwijt. Desalniettemin besloten mijn vriendin en ik dat het beter was uit elkaar te gaan.

Twee jaar later kwam ik Lieke weer tegen. We gingen een paar keer uit eten, we spraken vaker af. Ik vond het wel lastig dat ze zoveel jonger is, vroeg me af wat andere mensen daarvan zouden vinden. Maar het ging heel natuurlijk, en we werden een stel. Dat ze zulke heftige levensthema’s had, voorzag ik op dat moment niet. Al snel trok ze bij me in. In het begin ging dat hartstikke goed. Toen we een paar maanden samenwoonden werd een oom van Lieke veroordeeld wegens misbruik van Lieke en haar jongere zus. Ook al had ze zelf aangifte gedaan, het was voor haar een moeilijke tijd. Ze voelde zich schuldig omdat ze haar zusje niet had beschermd. In die tijd gingen ook nog eens haar ouders uit elkaar. Alle positiviteit die ze eerst had verdween. Ze was verdrietig en ook angstig. Soms controleerde ze wel acht keer of de voordeur op het nachtslot zat. Het duurde ruim een jaar voor ze weer was bijgekomen.

Een tijdje daarna kreeg ze ontzettende last van een ontstoken dikke darm. Ze was doodmoe, kon niet meer werken, was aan huis gekluisterd. Opnieuw waren de vrolijkheid en energie die ik zo leuk vond weg. Ik ging twee keer zo hard lopen. ’s Morgens voor haar zorgen, dan ’s middags en ’s avonds naar mijn werk. Ik maakte er keiharde grappen over: ‘Kijk mij eens, met mijn jonge vitale vriendin.’ Daar kon zij ook om lachen. Het was voor ons allebei een soort ontlading van spanning. Dankzij andere medicijnen knapte ze opeens snel op. Ze maakte haar opleiding af en werkt nu weer vier dagen in een tehuis met demente bejaarden. We gaan graag uit eten, naar concerten en op reis. We hebben het fijn.

Het lijkt misschien alsof ik de hulpverlener ben in deze relatie. Toch is dat niet zo. Lieke is er net zo goed voor mij. Mijn alcoholistische vader stierf toen ik tien was. Met mijn moeder en broer waren we jarenlang een bijstandsgezin. Ik was nogal een wilde puber, veel drinken, veel blowen, drummen in een metalband. Maar het ging goed hoor, we deden het prima met zijn drieën, al vind ik het natuurlijk jammer dat ik nooit een volwassen contact met mijn vader heb kunnen hebben. Lieke vraagt er vaak naar. Als ik zenuwachtig ben voor iets op mijn werk praat ze er over met me en stuurt tussendoor extra appjes. Zij is mijn klankbord als ik neerslachtig ben. Bij meningsverschillen blijven we in gesprek. Wij hebben het fijn in toptijden én als het niet goed gaat. Ik word gewoon heel vrolijk van haar.”

 

Dit verhaal verscheen in het AD Magazine van 27 april 2019

https://www.huiselijkgeweld.nl/dossiers/seksueel_kindermisbruik

https://meld.nl/melding/huiselijk-geweld/kindermisbruik/

Ik zoek hulp

Hoe herken je kindermisbruik?

Ze heeft zin om iemand écht te leren kennen

De 27-jarige Elisabeth heeft nog nooit een vaste relatie gehad, maar is daar intussen wel nieuwsgierig naar.

“Steeds single zijn heeft me veel gebracht. Het is misschien niet helemaal het einde, maar zeker ook niet erg. Ik heb kunnen onderzoeken wat ik nodig heb, ik ben onafhankelijk, ik heb geleerd goed voor mezelf te zorgen. Desalniettemin ben ik onderhand wel nieuwsgierig naar hoe het is om iemand echt te leren kennen.

Als puber was ik nogal onzeker over mijn lichaam. Ik wilde dunner zijn en was veel bezig met wat ik at. Wanneer een jongen in die tijd belangstelling toonde dacht ik al gauw: ‘Die heeft gewoon geen smaak.’ Dankzij therapie werden zulke gedachten minder en leerde ik mijn zelfvertrouwen uit meer te halen dan alleen mijn gewicht. Ik reed paard op wedstrijdniveau en deed het goed op school. Af en toe werd ik verliefd op jongens en zij op mij. Ik kuste wel eens met iemand. Maar als ik hem daarna tegenkwam durfde ik geen normaal gesprek te voeren. Te eng.

Op mijn twintigste had ik mijn eerste minnaar. Een emotionele, wereldse man die veel wist van kunst en politiek. Hij praatte gemakkelijk over zijn gevoelens en stond open voor de mijne. Ik werd losser en voelde me zekerder van mezelf. Maar hij had ook andere vrouwen. Veel andere vrouwen zelfs. Hij huilde toen dat voor mij reden was niet meer met hem naar bed te gaan. Het is een van de weinige keren dat ik een man heb zien huilen. In de periode daarna volgden een paar one night stands. Het was niet per se mijn intentie, maar vaak wilden jongens daarna niet meer afspreken. Sommigen omdat ze een vriendin bleken te hebben.

De eerste man waar ik volkomen zelfverzekerd op afstapte was Max. Het was tijdens een feest. We dansten, we kusten. Hij vond het leuk dat ik het initiatief had genomen, en hij vond mij ook leuk. Dat kon ik heel goed hebben, het maakte me niet nerveus zoals vroeger. Max was ontspannen, nonchalant, heel vriendelijk en oprecht. Jammer genoeg ging hij vlak daarna studeren in Amerika. Ons contact bloedde dood.

Natuurlijk heb ik ook online gedatet. Vaak is het saai, dat scrollen door een massa nietszeggende gezichten. Iets wat je uit verveling doet. Matches genoeg, dat wel: 435 om precies te zijn.Alleen een gesprek beginnen is lastig. Ik ben niet zo van de small talk. Het voelt alsof ik aan het liegen ben. Als iemand vraagt: ‘Hoe gaat het?’ denk ik: ‘Interesseert het je dan?’ Maar als je geen leuk gesprek op gang weet te brengen of houden, is de kans dat je met iemand afspreekt nul.

Ik ben geen vrouw die alleen maar werkt en paardrijdt. Ik hecht aan een sociaal leven, ga graag wandelen of koken en eten met vrienden. Ik plan mijn dagen zeker niet vol, ik heb echt wel tijd voor een man. Het lijkt me fijn om een relatie te hebben waarin ik me gesterkt en gesteund voel. Dat er iemand is die ik als eerste bel wanneer zich een probleem voordoet, als ik verdrietig ben, of juist iets heel leuks te vertellen heb. Die af en toe tegen me zegt dat alles wel goed komt. Een relatie waarin je op de hoogte bent van wat er gebeurt in elkaars leven. Waarin ik blij ben omdat we samen leuke en interessante dingen doen. En natuurlijk heb ik behoefte aan lichamelijke intimiteit! Aan seks, maar ook aan een arm om me heen.”

Dit verhaal verscheen in het AD Magazine van 13 april 2019

https://broadly.vice.com/nl/article/wjk3yq/twintigers-die-nog-nooit-een-relatie-hebben-gehad-vertellen-hoe-je-met-ze-om-moet-gaan

https://www.eur.nl/nieuws/waarom-liefde-zich-zo-lastig-tinder-laat-vinden

https://vrouw.nl/artikel/verhalen-achter-het-nieuws/49797/waarom-tinder-en-ik-geen-match-zijn

 

 

Liefde in tijden van mantelzorg

Ondanks de intensieve zorg voor hun gehandicapte dochter bleef de liefde tussen Suzanne (53) en Edwin (53) overeind.

“Sophie ging op haar twintigste het huis uit. Net zoals haar broer Michael een paar jaar eerder. Alleen ging hij op kamers om te studeren, en zij verhuisde naar een kleinschalig woonproject voor verstandelijk gehandicapten.

Michael was bij de geboorte een plaatje van een baby. Sophie zag er heel anders uit, vooral haar ogen. ´Het lijkt wel een mongool´, zei ik meteen tegen Edwin. Hij antwoordde vrij laconiek: ‘Dat is het ook’. Ik zei: ‘Jezus, wat een pech’. Maar ik was toch euforisch van blijdschap met mijn nieuwe kind. Edwin vond het de eerste dagen lastig, toen sloot hij haar in zijn hart en is vol liefde gegaan voor alles wat hoorde bij een kind met Down. Zo kreeg ze allerlei medisch onderzoek, en werd voor ze drie maanden oud was geopereerd omdat ze een zwak hartje bleek te hebben. Wij wisselden elkaar in die tijd af met ziekenhuisbezoek en probeerden ook Michael genoeg aandacht te geven. Aan elkaar kwamen we niet toe. We waren met onze eigen emoties bezig.

Na die operatie ging het best snel goed met haar, maar toen kwamen we erachter dat ze behalve Down ook een aan autisme verwante stoornis heeft. Ze kon en kan niets zelf. Nauwelijks praten, niet zelf eten, zich niet aankleden. Ze heeft geen tijdsbesef, ze ziet geen gevaar. Ze is wel heel beweeglijk en weg voor je het in de gaten hebt. Je kunt haar geen moment alleen laten. De eerste vijf jaar stonden we in de overleefstand. We hadden nauwelijks ruzie, maar het was ook niet erg amoureus. Ik zag ons als een bedrijf. Dat klinkt zakelijk, en dat was het ook. Edwin was goed in het verzorgende, ik regelde al het organisatorische. Ik heb toen wel eens gedacht: zijn wij bij elkaar uit liefde of vanwege de gedeelde zorg? Want als wij uit elkaar gaan, moet zij opgenomen worden in een instelling.

Wat ons bij elkaar hield was dat we gek zijn op elkaar, en enorm respecteerden en waardeerden wat de ander allemaal deed. Bovendien gunden we elkaar veel. Edwin liet mij ’s nachts slapen als Sophie hulp nodig had. Ik kon met vriendinnen een paar dagen op vakantie gaan, na een jaar weer parttime gaan werken. Ik zorgde dat hij af en toe onbezorgd een eind kon gaan fietsen of met een gerust hart naar zijn bedrijf. Toen Sophie elf was zijn we getrouwd. We zagen het als een kroon op onze relatie, op ons harde werken, dat we het volgehouden hadden. We gingen zelfs op huwelijksreis, naar Madrid. Dat was heel romantisch. Samen slenteren, lekker eten, lekker drinken.

Rond haar vijftiende kregen we een beter Persoonsgebonden Budget. Ik kon meer hulp inschakelen, en zij was af en toe een weekeinde of zelfs een hele vakantie van drie weken op een zorgboerderij. Geleidelijk leerde ze leven zonder ons. En in November 2015 ging ze het huis uit. Edwin en ik hadden een zware taak volbracht. De zorg blijft, maar niet meer dagelijks. Ineens was er genoeg tijd voor onszelf en voor elkaar. Dat was wennen. We hebben geen gedeelde hobby’s en heel verschillend werk. Wat we wel altijd deden is veel praten. Dat doen we nog steeds. We kunnen lekker uitwisselen en heel goed samen genieten. We hebben ieder een eigen leven, maar we komen telkens weer bij elkaar. En de weekenden dat Sophie bij ons logeert hebben we het heerlijk.”

https://www.oudersvannu.nl/baby/ontwikkeling/syndroom-van-down/

https://www.downsyndroom.nl/

Dit verhaal verscheen eerder in het AD Magazine van 23 maart 2019

Het meisje dat voorliep

In 1975 was Nellie Vliegenthart het enige meisje in de eerste klas van de opleiding horlogemaken aan de Rotterdamse Christiaan Huygensschool. Een positie waar ze even aan moest wennen. Dat duurde gelukkig maar kort. 44 jaar later geniet ze nog elke dag van haar vak.

“Open dagen op scholen waren midden jaren zeventig een onbekend fenomeen. Er was in het algemeen weinig informatie over wat opleidingen eigenlijk inhielden. Ik kwam op de Christiaan Huygens terecht door mijn oma, die ergens gehoord had over de horlogemakersafdeling daar. Dat leek haar wel iets voor mij, omdat ik goed was in wis- en natuurkunde en altijd zat te knutselen met hele kleine kraaltjes. Mijn moeder vond het een goed idee. Dat ik als zestienjarig meisje in Rotterdam naar school zou gaan en gewoon thuis blijven wonen was vanzelfsprekend. Zonder dat we gingen kijken gaf ze me op als leerling, en dat was dat.

Alle vakken leuk

De school was gevestigd in een flatgebouw aan de Benthemstraat, vlak bij het Hofplein. Het was een MTS met meerdere vakrichtingen in de precisiesfeer, zoals optiek en fijnmechanica. Bij horlogemaken vond ik alle vakken meteen leuk. Later kwam ik er achter dat er ook een MTS-opleiding in Schoonhoven en een horlogemakers-LTS in Hoorn waren, maar dat de Christiaan Huygens wel gezien werd als dé opleiding. In het begin vond ik het eng om het enige meisje te zijn tussen veertien jongens. Na een half jaar was dat wel over en voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam ook door meneer Kooregevel, een van mijn praktijkdocenten. Hij gaf me wat extra aandacht en mede daardoor groeide mijn zelfvertrouwen.

Ruige buurt

Tijdens mijn stage en de vier jaren erna deed ik veel verschillende ervaring op. Op mijn stageadres in Den Haag leerde ik zowel van de eigenaar van de juwelierszaak als van een collega-uurwerkmaker. Ik kreeg er meteen al dure merken als Alpina en IWC onder handen. Mijn eerste echte baan kwam, net als mijn beroepskeuze, zonder veel poespas tot stand. Op het raam van een winkel aan de Kruiskade, tot de dag van vandaag een behoorlijk ruige buurt in Rotterdam, hing een briefje: ‘Uurwerkmaker gezocht’. Ik liep naar binnen, had een kort gesprek en kon meteen beginnen. Omdat ik de enige uurwerkmaker was, moest ik vanaf dat moment alles zelf uitzoeken. Best pittig. Ik ben er weggegaan toen de verkoopster aan het eind van een zaterdagmiddag de zaak afsloot en mij, gewoon op die enge straat vol drugshandelaren, de sleutel gaf. ‘Doe jij maandag open?’, vroeg ze. ‘Want dan ben ik er niet.’ Die verantwoordelijkheid was me te groot, ik was pas twintig. Dus heb ik mijn ontslag genomen. Niks opzegtermijn of contractgedoe. Het is wel grappig hoe eenvoudig dat toen nog was.

Een officieel bedrijf

Bij een reparatiewerkplaats voor juweliers waar ik vervolgens in dienst kwam, was ik veel beter op mijn plek. Ik had vijf collega’s, het was gezellig, we leerden van elkaar. Ik bleef er tot mijn eerste zwangerschap. Toen verhuisde ik naar Capelle aan den IJssel en deed voortaan aan huis opdrachten voor familie en vrienden. Zodra mijn jongste kind naar de basisschool ging, had ik weer meer tijd om te werken. Een juwelier met twee zaken vroeg of ik zijn reparaties wilde doen. Daarmee had ik een officiële klant. Met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel begon ik daarom ook een officieel bedrijf. Al snel volgden meer juweliers in de omgeving van Capelle en Rotterdam en deed ik reparaties voor Seiko. Dit jaar vier ik mijn zilveren bedrijfsjubileum!

Openmaken

Bijblijven op mijn vakgebied doe ik door gewoon door te gaan. Iets open durven maken en bij twijfel de volgorde fotograferen waarin ik het uurwerk uit elkaar haal. Verder ben ik lid van het Uurwerkherstellersforum online. Een plek waar vakgenoten elkaar vragen stellen of ze beantwoorden, en elkaar helpen aan oudere onderdelen. Ik ben trouwens om een andere reden toch nog in Schoonhoven terecht gekomen. Het leek me leuk om ook te kunnen goudsmeden. Daarom heb ik avondcursussen gedaan. Eerst op de Vakschool met dertig medeleerlingen, later in een veel kleinere groep in de werkplaats van edelsmid Ad Brandenburg. Alles bij elkaar wel negen jaar. De kennis van edelmetalen en bewerkingstechnieken komt soms nog van pas bij het restaureren van klokken.

Particuliere liefhebbers

Net zoals bij andere ondernemers zijn er drukke en stillere tijden. De crisis die in 2008 losbarstte voel ik zelfs nu nog. Wat jammer is, en dat zeggen natuurlijk meer collega’s, is dat veel merken reparaties naar zich toetrekken en geen onderdelen meer leveren. Wij hebben daardoor minder te doen en de consument is duurder uit. Bovendien zijn veel horloges duurder om te repareren dan om nieuw aan te schaffen. Of mensen lezen de tijd op hun telefoon. Particuliere liefhebbers van mechanische horloges komen gelukkig nog wel voor reparaties. Zelfs vanuit noordelijk Noord-Holland komen ze naar me toe, dankzij mond-tot-mond reclame. Dat blijft toch de beste aanbeveling. Verder knap ik klokken op die mensen niet meer willen hebben. Daarna verkoop ik ze.

Torenuurwerk

Ik had ook automonteur kunnen worden zoals mijn vader. Daarin is altijd werk. Maar ik vind dit mooi. En als er iets bijzonders op mijn pad komt, dan graag. Ik zou nog wel eens een torenuurwerk willen doen. Veel groter werken, met andere machines en met vakgenoten, want zoiets kan je niet alleen. Ik ben trots op wat ik doe, ik ga er zo lang mogelijk mee door. Mijn kinderen plagen me weleens. Dan zeggen ze: ‘Jij stopt pas met klokkenmaken als je de kist ingaat.’ “

 

www.uurwerk-techniek.nl

https://www.vakschoolschoonhoven.nl/Studeren/Studiewijzer/uurwerkhersteller%20branche-erkende%20opleiding.aspx

Dit verhaal verscheen in het vakblad Edelmetaal, editie Maart 2019

 

 

Ze dansten de tango en hadden geen haast

“`Dat trek je niet, zo´n stadse dame. Veel te bijdehand voor jou’, zei een van René´s broers toen hij hoorde van onze verkering. Lekker laten mekkeren, vond ik. Als wij ons er maar goed bij voelen. Sinds mijn geboorte woon ik in dezelfde grote stad, René woont al zijn hele leven in een piepklein Brabants dorp. Ons verleden is ook nog eens totaal verschillend. Ik werd weduwe na een huwelijk van dertig jaar, heb twee kinderen en vijf kleinkinderen. René had op zijn 58ste nog maar een paar relaties gehad, waarvan de langste vier maanden had geduurd. Toch zijn die verschillende werelden geen enkel probleem. We hebben nooit wrijving of ruzie. Als iets me niet bevalt, gooi ik het er gelijk uit. René kan dat ook. Bij mijn man hield ik mijn mening vaak binnen. Ik kreeg toch geen gelijk. Zelfs als ik het had.

Mijn man was dominant, bezitterig, jaloers, altijd bang dat ik iemand anders leuker zou vinden. Ik mocht nergens naar toe. Bovendien was hij chronisch ziek en had veel zorg nodig. Ons huwelijk zoog me leeg, maar ik was misschien te ouderwets om weg te gaan. Pas na dertig jaar zette ik eindelijk een scheiding in gang. Zover kwam het niet, want hij overleed vóór het officieel werd. Zijn dood was een enorme opluchting, al vond ik dat eerst moeilijk om toe te geven. In de daaropvolgende jaren werd ik weer het meisje dat ik ooit was. Opgeruimd, vrolijk, ondernemend. Ik ging leuke spannende dingen doen als parachutespringen en ballonvaren.  En ik leerde de Argentijnse tango dansen.

Vier jaar na de dood van mijn man ontmoette ik René tijdens een tango-dansavond. Een aardige vent, een gezellige prater, een goede danser. We spraken een keer af, daarna steeds vaker. We wilden elkaar beter leren kennen, zonder haast. Tot vlak voor onze ontmoeting deelde René met een broer en hun moeder een heel groot huis in dat kleine Brabantse dorp. Door zijn werk als beleggingsspecialist was hij werelds genoeg, maar hij vond het gemakkelijk en gezellig, zo met zijn familie. Inmiddels woonde zijn moeder in een verpleeghuis.

We werden geleidelijk verliefd. Ik viel voor zijn geduld, zijn rust, zijn humor. René had gezien zijn geringe aantal relaties niet zoveel seksuele ervaring, dus daar moest ik nog wel even aan spijkeren. Dat vond hij geen enkel punt, en ik ook niet. Na een paar maanden zagen we er allebei een toekomst in. Eind augustus 2014 werden we een stel.

Anderhalf jaar geleden waren we er allebei slecht aan toe. Hij had een burn-out, ik een tumor. Mede door de afstand was het soms moeilijk er voor elkaar te zijn. Maar het is gelukt. Het contact bleef intensief, we zijn elkaar nooit kwijtgeraakt. Toen we weer in rustiger vaarwater kwamen vroeg René of ik bij hem in wilde trekken. Plaats genoeg ten slotte. Maar zijn dorp is me te stil. Ik heb reuring nodig. Hij krijgt het op zijn beurt Spaans benauwd bij het idee te moeten leven in mijn kleine stadse huis. En eigenlijk wil ik ook nooit meer samenwonen. Zoals we het nu hebben is het goed. Ik voel me vrij. Er is geen stress, geen strijd, geen dwang. We hebben leuke discussies over allerlei onderwerpen. Het is vertrouwd, maar nooit saai. We halen het beste in elkaar naar boven.”

Marc Chagall / Couple au Chandelier

Dit artikel verscheen eerder in het AD Magazine van 23 februari 2019

http://www.tipsvoordaten.nl/wil-je-als-weduweweduwnaar-wel-echt-een-nieuwe-partner/

https://www.monuta.nl/over-monuta/nieuws/een-nieuwe-liefde-na-het-verlies-van-een-partner/

https://www.relatietherapie-nijmegen.nl/blog/omgaan-met-verschillen/

‘Ik was te jong voor een verstandshuwelijk’

Jorien (51) en Jasper (50) bleven zo lang mogelijk verstandig. Tot ze het niet langer volhielden.

“Hoe verliefd Jasper en ik ook waren, we wilden geen van beiden onze partner verlaten. Tot geen prijs mijn of zijn kinderen beschadigen of kwijtraken. Want misschien was het wel een bevlieging.

Ik had Jasper nooit als man bekeken. Hij was de vader van een schoolkameraadje van mijn oudste. Blond, een paar kilo te zwaar, altijd ongelooflijk druk. Op een zomeravond bracht ik iets terug dat zijn kind had laten liggen. Hij zette thee. Waar we het over hadden weet ik niet meer zo goed. Maar we bleven praten, vier uur lang, over alles wat we belangrijk vonden. Ik voelde me zo begrepen, zo gekend. Toen ik eindelijk naar huis ging was ik volkomen in de war. Hij had veel te veel indruk gemaakt.

Ik was op dat moment 35 en had drie jonge kinderen. De eerste zwangerschap had zich aangediend juist op het moment dat ik twijfelde aan mijn relatie met Chris, die ik al vanaf mijn studententijd kende. Hij was zo jongensachtig en onbezorgd, bijvoorbeeld als het om geld ging. ‘Alles komt altijd goed’, zei hij dan. Daardoor moest ik steeds de verstandige zijn, de bezorgde, degene die dure aankopen terugdraaide. Maar zijn vaderrol nam hij heel serieus. Hij was en is lief, warm, verzorgend. Voor het tweede kind kozen we heel bewust, de derde kwam snel daarna. We waren gelukkig met de kinderen en elkaars beste vrienden.

Dat maakte mijn schuldgevoel zo groot toen ik verliefd werd op Jasper. Want eigenlijk hadden Chris en ik een heel harmonieuze relatie. Maar ik voelde me zó vast zitten. Ik had de moederrol, was steeds bezig de boel bij elkaar te houden. En ik kreeg last van het niveauverschil. Ik heb een universitaire studie gedaan. Chris had niets afgemaakt, hoewel hij uiteindelijk zijn draai vond in een baan en daar ook in opklom. Ik ben helemaal niet zo’n intellectuele hoogvlieger, maar door Jasper merkte ik hoe ik iemand nodig had die mee kan in mijn manier van denken, van verbanden zien. Bij wie ik me wezenlijk herkend voel.

Toen Jasper en ik voor het eerst gezoend hadden, raakte Chris niet in paniek. ‘Ga maar eens uitzoeken wat er achter zit’, zei hij. Door twee jaar therapie realiseerde ik me dat ik vooral rekening hield met wat anderen nodig hadden. Ik begon meer tijd voor mezelf te nemen en ging weer werken. Jasper ging door een vergelijkbaar proces. Hij is verzorgend en loyaal, gooide alles aan de kant voor zijn gezin. Door therapie werd hij steviger, minder de dienaar van zijn vrouw. In die tijd zagen we elkaar soms maanden niet. Als we elkaar wel spraken was de conclusie steeds: nu niet. We willen geen huwelijken kapotmaken.

Na die twee jaar besloot ik dat ik te jong was voor een verstandshuwelijk. Chris en ik zijn zorgvuldig uit elkaar gegaan en zorgen vanaf dag één fifty-fifty voor de kinderen. Een halfjaar later vertrok Jasper voor een proefscheiding naar een flatje. We gingen koffiedrinken. En toen had ik nieuwe verkering. Eindelijk. Ik was nog even bang dat ik wat wij hadden te mooi had gemaakt. Het was tussen ons zo open, een bijna rauwe eerlijkheid. We hadden immers niks te verliezen. Maar we zijn nu veertien jaar verder en ik ben nog elke dag dankbaar. Bij hem voel ik me opgetild en krachtig. Ik ben nooit alleen.”

https://www.counselpraktijk.nl/tijdelijk-uit-elkaar/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Camille_Claudel

https://uitelkaar.nl/scheiden-en-nu/kinderen?gclid=EAIaIQobChMI5YSCodu04AIVQeR3Ch19PAFPEAAYAiAAEgK85PD_BwE

Dit verhaal verscheen in het AD Magazine van 9 februari 2019