Goud voor Piet Snot?

Een druppeltje ecologisch gewonnen goud. Zoveel zat er in de gouden plakken voor de winnaars van het Europese Jeugd Olympisch Festival, afgelopen week in Utrecht. Reden tot juichen, want het is zeker geen druppel op een gloeiende plaat.

Een jaar of drie geleden zette ik met Maja Houtman een Utrechts edelsmedennetwerk op.  Tijdens de eerste bijeenkomst kwam Ernesto Spruyt van Solidaridad vertellen over groen goud. Sommige collega’s dachten toen dat het om een nieuwe legering ging, passend in het rijtje wit-, rood- en roségoud.

Wat is er sinds die tijd al veel veranderd! Anno 2013 heeft iedereen in de goud- en zilverbranche op zijn minst wel eens gehoord van wat nu Goed Goud wordt genoemd. Het is gewonnen zonder honderden hectaren natuur te verwoesten met grof graafwerk. Zonder landbouwgrond en rivieren te vervuilen met onder andere cyaankali. Zonder leefgemeenschappen te ontwrichten. Het gaat nog mondjesmaat, maar je moet ergens beginnen.  Steeds meer mensen zijn bereid zich in te zetten voor groen goud: edelmetaalhandelaren, fabrikanten, edelsmeden en consumenten.

Tot dat alle goud (en zilver) duurzaam gewonnen wordt, stel ik iets anders voor. In kluizen van centrale banken wereldwijd ligt ruim 30 miljoen kilo goud als valutareserve.  Als je weet dat een stevige trouwring maar een gram of vier weegt, kan je je voorstellen wat een hoeveelheid dat is. Het ligt daar als onderpand, om vertrouwen in ons financiële systeem te creëren. Een kwestie van geloof, want op zich kan je goud niet eten of drinken. Net zomin als papiergeld of een creditcard.

Ik zou zeggen: het ligt daar voor Piet Snot. De winning van al dat goud heeft enorme schade aangericht. Kijk voor meer informatie maar eens op de site van Solidaridad.

Daarom stel ik voor dat landen hun economie weer gaan baseren op wat we écht nodig hebben. Niet op economische theorieën en kunstmatige armoe. Ik stel voor om onze economie te baseren op schone landbouwgrond, schoon water, schone energie, schone industrie. Van die dingen waar je van kunt leven.

Breng dat goud op de markt en laat het gebruiken. In apparatuur vanwege zijn geleidende of antibacteriële eigenschappen. En natuurlijk ook in sieraden, die je dan koopt omdat het materiaal mooi is en sterk, en vanwege het ontwerp.  Dan wordt goud écht een verrijking van ons leven. Dan hebben we elke dag reden tot juichen. Joepie!!

 

http://www.opwegnaargoedgoud.nl/

header_vrouwen

Advertenties

Naar Rundumshausen

Ooit was het een voorrecht van de rijken: vakantie.

Maar vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw werd het steeds meer een recht voor iedereen. In de westerse wereld ten minste, want in ontwikkelingslanden hadden en hebben de meeste mensen daar echt het geld en de tijd niet voor.

Een groot goed, vind ik, die democratisering van vakantie. Je knapt er van op, het geeft nieuwe energie.  Even een paar weken iets anders doen dan de rest van het jaar. Even geen verplichtingen hebben, maar helemaal zelf je tijd indelen. Kortom: ontspannen.

Ergens in de jaren zeventig werd vakantie voor letterlijk hele volksstammen meer dan dat. Het werd in de eerste plaats veel, heel veel kilometers reizen. Miljoenen trokken in de zomer voor een paar weken naar Frankrijk, Spanje, Italië en Griekenland. Weer een paar decennia later is het heel gewoon geworden om voor datzelfde paar weken naar Indonesië of Mexico te gaan. Voor het fijne strand, maar ook om met eigen ogen de Borobudur te zien, of de piramiden van Palenque.

Op een warme julizondag fietste ik van het Centraal Station in Amsterdam dwars door de binnenstad naar het Rijksmuseum. Het aantal toeristen, zo te zien en te horen uit alle hoeken van de wereld, was overweldigend groot. Met drommen en nog eens drommen schuifelden ze over het Damrak en het Rokin, door de Kalverstraat, de Jordaan en over de grachten.

Ik had enorm met ze te doen. Overal was het druk en benauwd, overal moesten ze wachten: op een ijsje, bij de rondvaartboten, bij Madame Tussauds. Op het museumplein, voor Van Gogh’s zonnebloemen of Rembrandt’s Nachtwacht. En niet te vergeten bij het Anne Frank huis. Ze waren op vakantie en ze keken niet gelukkig, niet ontspannen, niet blij. De sfeer in de hele binnenstad was dezelfde als die er vaak is met Koninginnenacht en Oud en nieuw. Mensen lopen rond en hopen iets (of iemand) te vinden dat echt leuk is. Meestal vinden ze het niet.

De drommen zijn er omdat iedereen met vakantie kan, maar vooral omdat iedereen het gevoel heeft op vakantie te móeten. Iets mee te moeten maken en al die dingen te zien die hun vrienden en familie ook gezien hebben. Dat het woord vakantiestress bestaat zegt eigenlijk al genoeg. Gelukkig is er ook een nieuw woord voor een ouderwets verschijnsel: staycation.  Ofwel, net zoals in den beginne, thuis genieten van een paar vrije weken. Vakantie vieren in, zoals ze het in mijn Limburgse thuisland al decennialang noemen, Rundumshausen. Stukken duurzamer, goedkoper en ze spreken er je eigen taal.

Vakantie en reizen kunnen geweldig zijn. Maar niet per definitie en niet voor iedereen.  Laat diegenen thuisblijven die dat diep in hun hart veel leuker vinden dan in een kudde door onbekende straten sjouwen. Dan kun je écht ontspannen. En het scheelt ook nog eens heel veel CO2-uitstoot.

 

IMG_2970

Wie vreet watt?

Een onverwachte bonus van mijn Wattcher-logé is dat ik wijzer word. Niet alleen in de zin van weten hoeveel en wanneer en waarmee ik stroom verbruik. Maar wijzer over natuurkundige feiten. Als vrouw van de woorden doe ik nuttige bèta-kennis op.

In het begin gebruikte ik de Wattcher voor de vuist weg.  Ik nam de in mijn geval meest voor de hand liggende maatregelen, zoals stekkers uit stopcontacten trekken van apparaten die ik weinig gebruik. Dan glunderde ik als de groenoplichtende cijfers daalden. Soms keek ik verward toe als ze stegen terwijl ik niets had aangezet. Totdat het zoemen van de koelkast tot me doordrong en ik besefte: oh ja, hij houdt zichzelf op temperatuur.

Het ’s avonds uit en ’s morgens weer aanzetten van de router, en daarmee van de vaste telefoonlijn, werd binnen drie dagen routine. Die vrolijke lichtjes brandden toch alleen maar voor de kamerplanten. En de halve garen die mij ’s nachts willen bellen zijn sindsdien buiten spel gezet.

Daarna ging ik, nog steeds tamelijk ongestructureerd, kijken hoeveel energie individuele apparaten nodig hebben om te functioneren. De vaatwasser, een onverwoestbare Miele uit 1998, deed de cijfers omhoogschieten naar boven de 3000 Watt. Ik verblikte of verbloosde niet. Ik hou van hem, hij mag wat kosten, in de liefde praat je niet over geld.

Het broodrooster daarentegen liet me schrikken. 560 Watt voor twee boterhammen? Sodeju. Op Facebook deelde ik mijn gevoelens. ‘Weg ermee’, adviseerde de een. ‘Is het soms een oudje?’, informeerde de ander. Een derde met verstand van zaken legde uit dat dit verbruik per seconde is en helemaal niet zo dramatisch. In één Kwh van 0,2281 cent (exclusief netbeheer en vastrecht) passen aardig wat van zulke seconden. Vergelijkend google-onderzoek leerde me dat broodroosters een gemiddeld vermogen hebben van tussen de 900 en 1100 Watt. Mijn exemplaar is dus zelfs zuinig.

Op school zoomde ik altijd uit in de lessen wis-, schei- en natuurkunde. Ik kon gewoon geen interesse opbrengen voor kennis die ik niet direct kon toepassen. Uiteraard waren mijn cijfers navenant dramatisch.

Nu krijg ik alsnog lol in dit soort praktische natuurkunde.  Met dank aan Wattcher en mijn slimme facebookvriend.

Buurtsuper

Ooit deed ik mee aan een consumentenonderzoek, in opdracht van een op dat moment nog anonieme wijnproducent. Hij wilde weten wat onze  overwegingen waren wanneer we wijn kochten. In een genoeglijk tafelgesprek babbelden zo’n tien mannen en vrouwen over hun keuzeproces in supermarkt of slijterij.

Zoals te verwachten was, gingen de meesten af op wat ze lekker vonden. Rood, wit of rosé. Beetje stevig of juist licht en fris. De aangeschafte fles (-sen) moest ook liefst zo goedkoop mogelijk zijn. Slechts een enkeling stond erop dat de wijn biologisch was. Ik had nog een ander criterium: hij moest uit  Europa komen. Niet uit Noord- of Zuid-Amerika, Zuid-Afrika of Australië. Omdat ik het gesleep met voedingsmiddelen over de aarde slaande waanzin vond.

Mijn tafelgenoten keken glazig, en de gespreksleidster was niet blij. Eigenlijk keek ze me bijna het zaaltje uit. Oh God, dacht ik, sta ik weer voor paal met mijn milieu-argumenten. Weer een stel mensen dat mij een volstrekte idioot vindt. Later hoorde ik dat de opdrachtgever van het onderzoek Gallo was. Een Californische wijnmaker, die wilde weten of het zin had de Europese markt op te gaan.

Gisteren dacht ik terug aan dat onderzoek.  Ik liep door de Marqt-vestiging in Den Haag. Behalve dat er ontzettend veel lekkere dingen te koop zijn, en je inderdaad het gevoel krijgt op een markt te lopen, werd ik helemaal vrolijk van de filosofie. Marqt verkoopt écht eten, waar gewoon de voedingsstoffen in zitten van moeder natuur. Het kan dus ook bederven – niks verrijking met synthetische vitaminen, broodverbeteraars  of bewaarmiddelen waardoor zelfs de hongerigste schimmel voor de eer bedankt.

Vaak is het eten bij Marqt biologisch, maar niet altijd. Het bedrijf vindt het belangrijker dat het voedsel zoveel mogelijk in dezelfde omgeving geproduceerd wordt als waar het wordt geconsumeerd. Door boeren en telers die het beste maken wat ze kunnen, omdat ze houden van hun vak. Die pas oogsten wanneer iets helemaal rijp is en dat kunnen doen omdat hun waren niet ver hoeven te reizen.

Ik smulde met neus en ogen en ook mijn maatschappelijk verantwoorde ziel kwam aan haar trekken. Maar ik had maar een heel klein beetje echte honger. Ik liep naar buiten met een rijpe banaan. Eco en fair trade, dat dan weer wel. Alleen niet gekweekt in het Westland, ben ik bang.

http://www.marqt.com

Deeltijd-boeren in de stad

Afbeelding

Er was eens een schooltuin in de Utrechtse krachtwijk Lombok. Stadse bleekneusjes leerden daar dat wortels niet in de schappen van de supermarkt groeien, en dat natuur iets meer is dan een trapveldje.

Maar een aantal scholen verdween uit de buurt, en daarmee ook het verschijnsel schooltuinieren. Een brede strook land langs de spoorlijn lag braak. Eeuwig zonde in een stadsdeel dat toch al weinig groen heeft.

En toen waren daar in 2000 die buurtbewoners, die zelf geen of een heel klein tuintje hadden, maar wel zin in groenwerk. Ze namen het beheer van de strook land over van de gemeente en noemden het De Wilgenhof. Vervolgens richtten ze die opnieuw in met een cirkeltuin, een groenteveldje, een kruiden- en pompoenhoek. Kinderen die dat leuk vinden konden en kunnen er in hun vrije tijd tuinieren. Later kwamen er nog zo’n dertig tuintjes voor volwassenen, en fruitbomen en bessenstruiken.

In De Wilgenhof wordt ecologisch getuinierd. Dat betekent een fantastische variatie in planten en bloemen, en een bijbehorende overdaad aan insecten, vlinders, vogels, reptielen. Cliché: het is een oase. Of een klein paradijs. Zodra je het hek binnenstapt word je vredig en blij.

De tuin is niet alleen voor de vaste vrijwilligers. Gemiddeld twee keer per maand kan iedereen die zin heeft komen helpen. Als dank krijg je een biologisch bosje kruiden, kropje sla of wat er net geoogst kan worden mee. Maar daar doe je het niet voor. Je doet het voor de vanzelfsprekende vreugde van een beetje wroeten in de grond, van al het leven dat je onder je handen ziet tieren, van de veelheid aan geuren om je heen. Je doet het voor die vanzelfsprekende vreugde van werken in het groen.

www.wilgenhofutrecht.nl

Twee maanden met de Wattcher

Zuinig zijn met energie doe ik al heel lang. Aanvankelijk vooral omdat ik me zorgen maakte om het opbranden van de planeet, en daarmee van mijzelf en van mogelijke nazaten.

Wat later ook omdat ik de toegevoegde waarde niet zag en zie van een ruimte, die verlicht of verwarmd wordt terwijl er niemand is. Of van een TV waar niemand naar kijkt, een radio waar niemand naar luistert. Een kraan die loopt zonder dat het water daadwerkelijk gedronken wordt, of opgevangen voor de vaat of omdat je iets wilt wassen.

Kortom, ik was mevrouw Bewustzijn. Ook de inmiddels niet alleen mogelijke, maar daadwerkelijk bestaande nazaten drilde ik in het uitdoen van lampen, het dichtdraaien van kranen en het laag zetten van de thermostaat voor het naar bed gaan. Mij hoefde je niks meer wijs te maken.

Ik vond dus eigenlijk dat ik niet bij de doelgroep hoorde, toen mijn verhuurder een elektriciteitsbespaaradvies aanbood, gepaard aan leuke gadgets als een koelkastalarm en contactdozen met een centraal uitknopje. Plus twee maanden gebruik van een Wattcher. Een apparaatje dat real time laat zien hoeveel stroom je verbruikt, en met welke apparaten.

Maar ik zei toch ja. Gewoon om eens te zien of het misschien toch nog minder kon. Acht dagen geleden heb ik hem geplaatst. De hele dag door licht hij regelmatig op en is fascinerender dan televisie. Inderdaad, ik ben me vaker bewust van wat er zoal weggestookt wordt. Zo besef ik nu dat behalve de koelkast (duh) er nog een aantal stille stroomsnoepers is. De centrale ventilatie bijvoorbeeld. De deurbel met opener. De verwarming, ook als ie niet verwarmt, maar toch af en toe zichzelf test en door laat lopen. De router.

Allemaal apparaten die ik niet uit wil zetten natuurlijk. Wat ik wel doe is, ja ja, ’s avonds stekkers uit stopcontacten trekken en de router uitzetten. En dan staat Wattchertje op 40 Watt continu. Eens kijken hoe gek hij me krijgt in de komende maanden.  Energy_monitor_Wattcher_-_white__purple_and_yellow