Ik weet niet of ik hem ooit nog terugzie

Pauline (61) en David (70) werden op latere leeftijd een stel. Nu vreest ze voor zijn leven. 

“Zachte staalblauwe ogen, heel lang, slank, gespierd, gebruind en goed gekleed. ‘Wàt een man!’, dacht ik toen we elkaar alsnog ontmoetten. David had onze eerste afspraak afgezegd, terwijl het na de nodige weken mailen juist serieus leek te worden tussen ons. ’s Avonds aan de telefoon legde hij uit dat hij onlangs de diagnose Parkinson had gekregen, en dat wilde hij me niet aandoen. Ik kocht meteen een boek over de ziekte. Wat daarin stond loog er niet om. Aftakeling was onvermijdelijk. Maar er stond ook dat je nog tien tot vijftien goede jaren kon hebben. Daarom hebben we opnieuw afgesproken.

We waren meteen tot over onze oren verliefd. Drie jaar lang reisde ik vrijwel elk weekeinde naar het oosten van het land, waar David al een appartement had gekocht met alle faciliteiten voor als hij achteruit zou gaan. Tot we bedachten dat we die tien tot vijftien jaar die we hadden bij elkaar wilden zijn, en alles doen wat we nog van plan waren. Ik vond het moeilijk om weg te gaan uit de stad waar ik geboren en getogen ben en mijn sfeervolle huuretage achter te laten. Ik heb het toch gedaan.

Praktisch als David was stelde hij voor te gaan trouwen, zodat ik ook nog een dak boven het hoofd zou hebben als hij er niet meer was. De bruiloft was fantastisch, maar wonen in het oosten viel me zwaar. Ik miste mijn werk, mijn vrienden, de bruisende stad. Door hem ben ik wel sportiever geworden. Ik ging paardrijden en langlaufen. Ik heb mijn rijbewijs gehaald. Hij kon zijn hang naar regels en orde wat loslaten en werd avontuurlijker. We maakten lange reizen, en de liefde was er altijd.

Fysiek ging het heel geleidelijk slechter met hem. Hij liep moeizamer. Waar ik niet op gerekend had, was dat hij met zijn scherpe geest Parkinson-dementie zou krijgen. Hij reed tachtig op de autoweg, zijn denken werd trager. Toen hij op een dag even niet meer wist waarvoor het knopje op de autosleutel diende, werd het me koud om het hart. In de jaren daarna kreeg hij moeite met het bedienen van apparaten, maakte een chaos van onze administratie, knipte stroomdraden door. Hij ging dwalen in de omgeving en was door niemand tegen te houden. Ik kon hem steeds minder aan. Ik kreeg ondergewicht, mijn haar viel uit. Ik raakte knetteroverspannen.

Anderhalf jaar geleden kreeg hij een crisisopname. Het was de meest verschrikkelijke dag van mijn leven. Hij vocht met de hulpverleners tot hij niet meer kon en ging als een geslagen hond mee. Wanneer ik hem opzoek, neem ik hem mee en maken we uitjes. Ik zorg dat hij er verzorgd uit blijft zien, ik ruim zijn kamer op en breng dingen mee die hij lekker vindt. In zijn verwardheid denkt hij soms dat ik hem in de steek heb gelaten, op goede dagen is het fijn om toch samen te zijn. Maar eind maart gingen de deuren van de zorginstelling dicht en mocht ik hem niet meer zien.

Op David’s afdeling heerst corona. Hij ziet alleen nog verzorgenden in volledig beschermende uitrusting, als marsmannetjes. Hij blijft niet op zijn kamer, hij dwaalt. Soms belt hij gillend op: ‘Pauline, help me!’ Ik ben bang dat hij dood gaat als hij daar blijft, maar ik kan hem niet naar huis halen, ik kan de verzorging niet aan. Ik weet niet of ik hem ooit nog terugzie. Als dat wel zo is, vergeten we dit als een boze nachtmerrie en gaan leuke dingen doen. Ik houd ontzettend veel van hem. Hoe het ook verder gaat, David blijft mijn man.”

 

Parkinson

https://www.parkinson-vereniging.nl/parkinson/de-ziekte-van-parkinson

https://www.alzheimer-nederland.nl/dementie/soorten-vormen/parkinson

Dit verhaal verscheen eerder in het AD-Magazine van zaterdag 9 mei

Zilversmid Karel Schermerhorn streeft naar handgemaakte perfectie

HZS is een van de laatste ambachtelijke zilversmederijen van Nederland. Karel Schermerhorn werd in 1998 eigenaar, maar het Haarlemse bedrijf zelf bestaat al een eeuw. Karel streeft naar handgemaakte perfectie.

“Na de opleiding in Schoonhoven heb ik nooit meer iets aan goudsmeden gedaan. Ik vond zilversmeden zóveel leuker!”, vertelt Karel. “In die hoedanigheid werkte ik een jaar of tien in loondienst, tot ik George Presburg leerde kennen, eigenaar van de Haarlemsche Zilversmederij. Bij hem werden ambachtelijke producten gemaakt, maar vanwege zijn leeftijd wilde hij de zaak graag verkopen. In 1998 nam ik het bedrijf over, inclusief allround zilversmid Lex Baartse. Lex is uiteindelijk bijna zestig jaar bij HZS in dienst geweest.”

Groei en bloei

Arnold Presburg en Arie Hoogteyling begonnen de Haarlemsche Zilversmederij in 1919. Ze maakten zilverwerk voor voornamelijk huishoudelijk gebruik, zoals broodmanden, dienbladen, koektrommels, kandelaars en peper- en zoutstellen. Vanaf 1932 ging Arnold alleen verder. Het bedrijf bloeide in de jaren vijftig en zestig, toen de Nederlandse bevolking na de karige oorlogstijd eindelijk weer geld had en het graag spendeerde aan mooie spullen. HZS had in die tijd maar liefst zestien werknemers. In 1971 kwam zoon George Presburg aan het roer. In latere decennia ging menig groter bedrijf over de kop. HZS bleef, zij het op kleinere schaal, overeind.

Perfectie

Bij de overname koos Karel voor drie strategische speerpunten. Het eerste was de kwaliteit van de producten. Die was goed, maar hij vond dat het tot in detail perfect moest zijn. Dus nooit een dienblad waarvan de bodem niet honderd procent strak was, of een parelrand die eindigde in een halve parel. Waardoor klanten gingen zeggen: “Handgemaakt? Da’s knap!” Tweede speerpunt was het opnieuw aanbieden van oudere productmodellen. Sommige werden op dat moment al twintig jaar niet meer gemaakt, maar alle mallen lagen er nog. Veel klanten waren blij dat ze weer in productie genomen werden.”

Restauratie en reparatie

Het derde en inmiddels belangrijkste speerpunt is restauratie en reparatie. Restauratie van voornamelijk 17e– en 18e-eeuws zilverwerk, vervaardigd door leden van de in die tijd zeer machtige gildes, en reparatie van occasions, die ingebracht worden door handelaren of verzamelaars. Karel: “Omdat we zoveel kunnen maken, kunnen we ook heel veel restaureren”. Zijn keuze voor dat laatste specialisme is een goede gebleken. HZS werkt nu voornamelijk voor antiquairs, handelaren, particulieren, musea, kerken en synagogen.

Mysterie

Afgelopen november kreeg HZS het predicaat Hofleverancier. Daarvoor hoef je niet per se iets voor het hof gedaan te hebben, al is dat bij HZS wel het geval. Zo werden in de Presburgtijd HZS-producten bij staatsbezoeken meegenomen als relatiegeschenk. Een bedrijf kan het predicaat aanvragen bij het honderdjarig bestaan. “Waaróm je het uiteindelijk krijgt is een mysterie”, zegt Karel. “Je moet iets toevoegen aan de samenleving, aan de branche en aan je buurt. De redenen waarom je aan die eisen voldoet krijg je niet te horen. Hoe dan ook is de toekenning een leuke ode aan het bedrijf.”

Zestig jaar zilversmid

Lex Baartse heeft als zilversmid in belangrijke mate bijgedragen aan het succes van HZS. Als veertienjarige kwam hij letterlijk in zijn korte broek het bedrijf binnen. De oudere zilversmeden leerden hem het vak, en naarmate hun aantal afnam kreeg hij steeds meer taken. Lex deelde op zijn beurt zijn kennis met Karel toen die het bedrijf overnam. Pas op zijn 74ste ging hij, na een dienstverband van bijna zestig jaar, met pensioen.

Openheid

Karel heeft geen vaste medewerkers meer, maar geregeld deelt hij zijn ruime werkplaats met jonge vakgenoten, stagiairs en antiquairs. Soms ook met particulieren die aan hun eigen projecten willen werken. “Door me open te stellen voor andere mensen en disciplines blijf ik doorleren. Ik ben technisch creatief: ontwerpen creëren uit het niets kan ik niet, maar wat me aangereikt wordt kan ik maken. En wat anderen beter kunnen, zoals laserlassen of handgraveren, laat ik graag door anderen doen.”

www.haarlemschezilversmederij.nl

Dit verhaal verscheen in langere vorm in vakblad Edelmetaal, editie april 2020

Foto’s: Maurits van Hout http://www.mauritsvanhout.nl

De klok van één miljoen

Het vrolijkste museum van Nederland is volgens huisuurwerkmaker Erwin Roubal ook het meest technische museum. In een enorme eigen werkplaats worden zelfspelende muziekinstrumenten, zoals orgelklokken en draaiorgels, met soms zeer grote tijdsinspanning teruggebracht in hun oorspronkelijke staat.

De brede gang naar de werkplaatsen alleen is al elf meter lang en heeft een marmeren vloer. De hoge hal waar hij op uitkomt is groot genoeg om draaiorgels te repareren, en zelfs voor een kleine heftruck om de grote gevaartes te verplaatsen. Er is een ruime werkplaats voor de uurwerkmakers, een ruimte met draaibanken, een houtwerkplaats en een kantoor. Dolblij is het Utrechtse Museum van Speelklok tot Pierement met dit ruime pand in de oude binnenstad, een schenking van een oudere dame die vele jaren boven de huidige werkplaats woonde. Na een verbouwing  is het een walhalla geworden voor de restaurateurs van het museum.

Klok van één miljoen

Hun meest recente grote project was de restauratie van de Clay-klok, een gigantische orgelklok uit de 18e eeuw. Een prestigieus project, dat aanleiding was voor veel nationale en internationale publiciteit. Museum Speelklok, dat zich het vrolijkste museum van Nederland noemt, had de Clay-klok al eens in bruikleen voor een tentoonstelling in 2006. “Het pijpwerk was toen nog in betere staat. Sindsdien heeft iemand, niet gehinderd door enige kennis, alle pijpen van een register afgezaagd”, vertelt Erwin Roubal, die verantwoordelijk was voor de restauratie van het uurwerk. In 2016 kocht Speelklok de ruim tweeëneenhalve meter hoge klok op een Parijse veiling voor in totaal één miljoen Euro. De houten kast werd hersteld door het Rijksmuseum. De uurwerkmakers en orgelbouwers van Speelklok waren verspreid over een periode van drie jaar bezig met de restauratie van het mechanische deel.

Klokken uit de Verboden Stad

Erwin: “Het uurwerk was nog best goed, maar veel tandwielen waren verbogen, rondsels versleten en er waren verminkingen op de uurwerkplatines. De opwindgaten waren dichtgeklonken, en zo waren er nog meer reparaties te doen. Ik ben natuurlijk trots dat we de Clayklok weer werkend en in uitstekende staat kunnen presenteren, maar eerlijk gezegd heb ik hier wel moeilijker, knapper dingen gedaan, zoals het restaureren van klokken uit de Verboden Stad in Beijing. Speciaal voor die klus kreeg ik in 2008 een driejarig contract bij Speelklok. Daarna mocht ik blijven.”

Zelf gereedschap maken

“Wat het werk hier zo anders maakt, is de tijd die we krijgen om dingen weer helemaal goed te krijgen. Het museum gaat niet over uurwerken, maar over uurwerkmakersconstructies en tandwielen. Die kennis heb je nodig bij het repareren van mechanische muziekinstrumenten. Daar zitten ook onderdelen in die je in klokken niet tegenkomt. Bijvoorbeeld een wormwieloverbrenging, een tandwiel dat geen rondsel aandrijft, maar een schroef. Het is een eeuwenoud mechaniek dat snel slijt. Het gereedschap om een nieuw te kunnen maken bestaat niet meer. De benodigde beitels, frezen en hulpstukken maken we daarom zelf.”

Muziekcylinders

“We bouwen ook muziekcylinders die in carillonklokken zitten. Er zijn geen wetten die je precies vertellen wat je moet doen om de muziek zo zuiver mogelijk te laten klinken. Meestal kiezen we met zijn tweeën uit hoe je de gaatjes in de cylinder moet boren. De bank waarmee je dat doet maken we zelf. Ook bouwen we wel eens een werkend model op kleinere schaal voor in de techniekzaal, want het museum wil uitdrukkelijk laten zien hoe iets ooit technisch gewerkt heeft. Ik vind het leuk me daar voor in te zetten en let erop dat de modellen hufter- én kinderproof zijn. Want kinderen gaan overal aan hangen en klimmen overal in.”

Gek van techniek

“Als uurwerkmaker alleen krijg je dat allemaal nooit voor elkaar. In deze werkplaats zijn we met best veel mensen. Drie uurwerkmakers,  drie orgelbouwers en drie kantoormedewerkers. Alles wat wij als uurwerkmakers doen stemmen we af met de orgelrestaurateurs. Dan gebeurt het gerust eens dat we zeggen: ‘Mijn mechaniek is goed, maar jouw balg is te stug.’ Of dat zij met een heel mooie oplossing komen waar wij zelf nog niet aan gedacht hadden. Voor ik hier begon was ik bij verschillende bedrijven het enige personeelslid, een soort zelfstandige. Hier zijn we een team van mensen die allemaal gek zijn van techniek en graag nadenken over de vraag: ‘Hoe deden ze dat vroeger?’ Dat houdt het werk leuk en vers.”

http://www.museumspeelklok.nl

http://www.draaiorgelmuseum.org/achtergrond/historie

http://www.pianola.nl/Pianola_Museum/Dietrich_Nikolaus_Winkel.html

Klik om toegang te krijgen tot 2007_3_dansen.pdf

Handgemaakte horloges

   

De afgelopen tien jaar bouwde Willem van den Berg elk jaar een nieuw horloge. Soms in een kleine oplage van maximaal tien stuks, soms zelfs unieke exemplaren. Vrijwel altijd in samenwerking met de allerbeste edelsmeden, graveurs, zetters en emailleurs.

Decennia lang restaureerde Willem van den Berg antieke klokken en horloges, maar sinds 2006 legt hij zich toe op het bouwen van zijn eigen merk ambachtelijk gemaakte horloges in beperkte oplage. Waar hij emotie in kan leggen en verhalen mee kan vertellen.

Skyline

Hij begon met een handgemaakt Skyline-horloge. In een door hem zelf ontworpen gouden kast bouwde hij een automatisch uurwerk in. Aan de achterzijde is de skyline van ‘s-Hertogenbosch te zien, met rechts het provinciehuis en links de Sint-Jan’s basiliek. De Bossche draak, het symbool van de stad, werd als rotor ingebouwd. Daarna volgde een model met de skyline van Rotterdam.

Uitbundige barok

Vervolgens vroeg Willem zich af wat hij zelf nog meer mooi vond. Hij kwam uit bij de uitbundige barok van 17e en 18e-eeuwse Engelse horloges, waarin vaak de techniek van champlevé emaille (een gravure of ets, gevuld met emaille) werd toegepast. Het werd zijn focus in een tijd dat minimalisme de trend was.

Symboliek

Ieder model zit vol symbolen en verwijzingen, gemaakt met een grote variatie aan technieken. In de loop der jaren heeft Willem zich zelf bijgeschoold op het gebied van goudsmeden en graveren, maar hij maakt daarnaast veel gebruik van de diensten van de beste edelsmeden, graveurs, zetters en emailleurs. De meesten zijn lid van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Wie daar toegelaten wil worden, moet aan heel hoge eisen voldoen.

Van Gogh en Jeroen Bosch

In de Vincent van Gogh bijvoorbeeld, schilderde emailleur Jos van Houbraken op de verenstalen dagschijf in miniformaat fragmenten van zeven van Van Gogh’s bekendste werken. Verborgen in de kast zit een heel klein beetje grond uit de tuin van Van Gogh’s geboortehuis. In het Jeroen Bosch-horloge zijn gravures te zien van Bosch’ tekeningen. De wijzers hebben de vorm van veren. De secondewijzer is zelfs een minuscuul echt veertje.

Horloge voor Olympisch schermer

Momenteel werkt Willem aan een horloge met als thema WOII. En onlangs kwam een uniek horloge af voor Bas Verwijlen, de Nederlandse schermer die drie keer meedeed aan de Olympische Spelen. Het zit vol met persoonlijke en Olympische verwijzingen, zoals een floret op de zijkant van de kast, en op de rotor gezaagde en gegraveerde symbolen van de drie steden waar Verwijlen meedeed aan de Olympische Spelen. Op een ervan, de Londense Big Ben, staat het torenuurwerk vast op het geboortetijdstip van Verwijlen’s dochter.

Brede blik

Willem kan al die bijzondere horloges realiseren dankzij de hulp van de edelsmeden, graveurs en emailleurs van het NGG. Hij is er ontzettend blij mee. “ Het is geweldig om samen te werken met de allerbeste vakmensen. Door wat zij kunnen in technisch en artistiek opzicht, kan ik mijn blik verbreden over wat mogelijk is.”

www.vandenbergwatches.com

http://www.meestergoudsmeden.nl

Dit verhaal verscheen als onderdeel van een groter artikel in het blad Horloges 0024, editie winter 2019/voorjaar 2020

Ondenkbaar: een leven zonder antieke juwelen

Wanneer Martijn Akkerman als expert aanzit bij het Tv-programma Tussen Kunst en Kitsch, geeft hij meestal wel een waardeschatting van een ingebracht juweel. Maar eigenlijk interesseert zo’n bedrag hem weinig. Waar hij al sinds zijn jonge jaren warm voor loopt, zijn de verhalen die erbij horen.

“Bij juwelen is de emotie zó groot! Ze hebben ruzies veroorzaakt, huwelijken bezegeld, tot oorlogen en vredes geleid. Willem van Oranje bijvoorbeeld beleende zijn juwelen om de Tachtigjarige Oorlog te financieren. Op schilderijen en meubels zit veel minder emotie, en kleding vergaat. Juwelen daarentegen blijven.

Zelfstudie en praktijk

In mijn familie was veel interesse voor kunst. Mijn vader was musicus en kunstverzamelaar. Een tante verzamelde Noord-Hollandse streekjuwelen, en dankzij een grootmoeder was er een erfenis van prachtige juwelen. Al als tienjarig jongetje was ik er door gefascineerd. Logisch dat ik graag een studie kunstgeschiedenis met als specialisatie antieke juwelen wilde doen. In die tijd kon je daar jammer genoeg niet op afstuderen. Daarom ging ik naar de Vakschool voor de edelmetaalbranche in Schoonhoven. De werkbank paste niet bij me, de juweliersopleiding al beter. Maar de meeste kennis heb ik opgedaan door zelfstudie en in de praktijk bij antiquairs, op veilingen en in mijn eigen winkel.

Verzamelaars creëren

Met een partner heb ik 31 jaar een speciaalzaak gehad in de P.C. Hooftstraat in Amsterdam. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig waren het goede tijden voor kunst en antiek. We gingen geregeld op inkoop in het buitenland en hadden dus vaak verrassingen voor onze klanten. Ik durf gerust te stellen dat wij juwelenverzamelaars hebben gecreëerd.

Kennis doorgeven

Al in 1974, tijdens mijn stage bij juwelier Fabery de Jonge in Apeldoorn, hield ik voor een aantal klanten mijn eerste lezing over diamanten. Heerlijk vond ik dat, want ik geef graag kennis door. Dat doe ik tot de dag van vandaag op allerlei manieren. Met lezingen voor iedereen die geïnteresseerd is, van kunsthistorische clubs tot personeel van juweliersbedrijven. Ik maak ze wisselend en actueel. Zo zit er voor een lezing eind september bijvoorbeeld altijd wel een verhaal over Prinsjesdag in. Ik schrijf artikelen in bladen als Collect en Vorsten, en in het TV-programma Blauw bloed vertel ik over de juwelen van allerlei vorstenhuizen. Wat ze betekenen, wanneer ze gedragen worden, wat ze bijzonder maakt.

Lalique en Bolin

De optredens in Tussen Kunst en Kitsch zijn wat spectaculairder. Per opnamedag komen er wel duizend mensen. Ongeveer een kwart daarvan heeft een sieraad of juweel bij zich. Dat is aanpoten hoor. Als we iets vinden dat de moeite waard is komt een cameraploeg in actie. Mijn meest opzienbarende ontdekkingen waren een broche van René Lalique en een van de Russische edelsmid Bolin. De Lalique was door de grootvader van de inbrengster rechtstreeks gekocht bij de meester zélf, toen hij exposeerde in Sint Petersburg. Ik heb eraan meegewerkt dat ze hem kon verkopen. Tegenwoordig bevindt de broche zich in het museum Petit Palais in Parijs. De Bolin herkende ik onder andere aan het etui, dat gecontoureerd was naar de vorm van de broche. Verder speelde ervaring natuurlijk mee. Het Fingerspitzengefühl.

Geen taxateur

Wat ik ook veel doe is de beurswaardigheid van juwelen beoordelen. In het verleden voor onder andere de TEFAF en de Kunstmesse Köln, momenteel alleen nog voor de Brussels Art Fair en de Antiekbeurs in Breda. Dan gaat het behalve over de kwaliteit over dingen als de vraag of het een stijlkopie is, of dat een sieraad van functie veranderd is. Zoals wanneer je van een armband oorknoppen maakt. Het gaat niet over de prijs, want ik ben uitdrukkelijk geen taxateur voor verzekeringen of inboedelverdelingen. Dat zou ik ook helemaal niet leuk vinden om te doen.

Verlovingsring uit 1625

Voor lezingen ging ik overigens zelfs een aantal keren naar Australië en Nieuw-Zeeland. Daar heb ik van genoten, maar ik hoef niet perse naar het buitenland. Dichterbij is voor mij nog genoeg te grazen. Bij de restauratie van een huis in mijn geboortestad Alkmaar werd in de beerput een gouden ring met diamant gevonden. Die heb ik weten te determineren als de verlovingsring van Maria Tesselschade Roemer Visscher, een indertijd bekende dichteres en glasgraveuse. De ring was uit 1625!

Hermitage

Mijn meest recente activiteit is het inspreken van de audiotour bij de jubileumtentoonstelling Juwelen! in de Hermitage. Ter gelegenheid van het tienjarig bestaan komt een deel van de enorme juwelencollectie uit Sint Petersburg naar Amsterdam. Voor de bijbehorende catalogus schreef ik vier hoofdstukken. Op de een of andere manier ben ik altijd met mijn vak bezig. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Het idee met pensioen te gaan, nooit meer iets doen met antieke juwelen? Ondenkbaar!”

www.martijnakkerman.nl

https://www.avrotros.nl/tussen-kunst-en-kitsch/home/

https://hermitage.nl/nl/tentoonstellingen/jubileumtentoonstelling-juwelen/

https://hermitage.nl/nl/tentoonstellingen/open-online-juwelen/

 

Dit verhaal verscheen in het septembernummer 2019 van vakblad Edelmetaal

Ik wil leren om trouw te blijven aan mezelf

Marlies (41) had relaties met mannen en vrouwen, maar merkte dat ze steeds meer op haar tenen ging lopen. Daarom blijft ze voorlopig liever alleen.

“Ik kan heel véél zijn als je mij voor het eerst ontmoet. Ik ben een soort orkaan van energie. Ik lach hard, ik maak platte grappen. Ik ben zorgzaam en trouw, en fel en trots en vrolijk. Voor veel mensen fungeer ik als een antidepressivum. Mijn vader noemt me wel eens een lichtbrenger. Mensen vallen op die eigenschappen. Jammer genoeg vinden ze ze later juist vervelend.

Ik viel meestal voor mannen die mij niet wilden. Op mijn beurt wees ik degenen af die mij wilden. Tot ik op mijn werk Andro leerde kennen. Hij was lief en zorgzaam, we konden geweldig lachen samen. Al na drie maanden trok ik bij hem in. Zonder eigen spullen, want die vond hij allemaal lelijk. Mijn katten moesten in een aparte kamer blijven. Ik had het allemaal over voor de liefde. Maar binnen drie maanden samenwonen was ik een schim van mezelf, doodsbang voor zijn woedeuitbarstingen over alles en niets. Over een vuiltje, want hij had smetvrees. Of als hij me onder de douche niet hoorde zingen. Ik viel tien kilo af, lag vaak uitgeput in bed en hyperventileerde. Mijn familie en vrienden zag ik nauwelijks meer. En toch geloofde ik hem, als hij zei dat ik nooit meer iemand zou tegenkomen die zo van me hield als hij. Maar op een keer zei hij op het werk iets zo denigrerends tegen me dat een collega ervan schrok. Wat precies ben ik vergeten. Ik wist opeens wel dat ik niet gek was. Ik ging terug naar mijn eigen huis.

Een tijd later ontmoette ik Maaike. Aards, vrolijk. Echt een fijn mens. Leven met een vrouw leek me gemakkelijker dan met een man, omdat we zoveel gemeen hebben. Wat gebeurde is dat we ons allebei vergaand aan elkaar aanpasten. Ik ruilde mijn kleurige jurken en bonte sieraden in voor een broek en sneakers en ging er steeds potteuzer uitzien. Maaike kroop bij mogelijke conflicten bijna over de grond om ruzie te vermijden. Ze vond haar werk niet leuk en kreeg een burn-out. Mij verweet ze dat ik mijn werk met zoveel plezier deed en van kleinigheden al gelukkig werd. Na drie jaar zette ze een punt achter onze relatie. Ik heb twee weken gehuild. Toen was het klaar.

Peter kwam onverwacht in mijn leven bij het vrijwilligerswerk dat we allebei deden. We deelden een interesse in koken en filmmaken. Hij was grappig en ontzettend slim. We hadden het gezellig samen. Hij had wel moeite om me deel te laten worden van zijn leven. Hij kon niet op één dag zijn aandacht verplaatsen van zijn werk overdag, naar mij ’s avonds. Dan raakte hij in paniek. Dus zagen we elkaar alleen in het weekeinde. Ik boette niet aan kracht en vrolijkheid in, want door de week had ik mijn eigen leven. Hij hielp me mijn angsten te relativeren, ik hielp hem bij het dempen van zijn paniek, maar we liepen allebei voortdurend op onze tenen. Ik voelde me vaak teveel, hij voelde zich nooit écht op zijn gemak. Elke seconde van elke dag kon veranderen hoe hij over de relatie dacht. We besloten uit elkaar te gaan voor we een hekel aan elkaar zouden krijgen.

Inmiddels realiseer ik me dankzij therapie dat ik liefdesrelaties altijd te belangrijk maak. Als ik een date heb denk ik bij het uitzoeken van kleding: wat zou hij mooi vinden? In plaats van: laten we eens kijken of we elkaar leuk vinden. Daarom zoek ik voorlopig bewust geen nieuwe relatie. Ik wil leren om mijn tijd alleen nog te besteden aan mensen die blij zijn met mij. En om voor alles trouw te blijven aan mezelf.”

http://www.lnbi.nl

 

Uit welke kast moeten biseksuelen komen?

Dit verhaal verscheen eerder in het AD-Magazine van 3 augustus 2019

Een podium voor de Zaanse klok in het land van Albert Heijn

Museum Zaanse Tijd opende dit voorjaar een compleet vernieuwde presentatie van haar collectie Zaanse klokken. In een in 19e-eeuwse stijl ingerichte woonkamer komen ze beter tot hun recht dan ooit. Die aanpak reflecteert de missie van het museum: laten zien hoezeer de Zaanse klok verweven is met de industriële geschiedenis van de Zaanstreek.

De Zaanstreek was in de zestiende eeuw het allereerste industriegebied van Nederland. Het begon met het gebruik van de net uitgevonden molen met krukas, waarmee op grote schaal hout gezaagd kon worden. Al snel volgden honderden andere molens die de productie van bijvoorbeeld papier, verf, cacaopoeder en gepelde rijst mogelijk maakten.

Ook de Zaanse zakenman Kornelis Volger deed in papier en was eigenaar van een windmolen. Maar vermoedelijk had hij ook het vak van klokkenmaker geleerd. Volger bouwde de eerste Zaanse klok, bedoeld als huisuurwerk. Een relatief goedkoop model in een eenvoudige houten kast, waarin hij zijn technische kennis van molentechniek combineerde met het recent door Christiaan Huygens uitgevonden slingeruurwerk.

Het sloeg zo aan bij de burgerbevolking, dat een nieuwe Zaanse industrietak ontstond van seriematig geproduceerde klokken. Van 1670 tot 1750 was het in de Zaanstreek een bloeiende branche. In de loop der jaren werd het eenvoudige oermodel in steeds luxere varianten gemaakt, met duurder materiaal en uitbundige versiering. De opkomst van de Friese klok luidde het einde in van de populariteit.

Hernieuwde interesse

Maar aan het eind van de negentiende eeuw was er hernieuwde interesse in antiek en ambachtelijkheid. De Zaanse klokken, gemaakt naar voorbeeld van de oude modellen en nu voorzien van een houten puntdakje, deden het weer goed. En vlak na de tweede wereldoorlog was er nogmaals een enorme opleving in de vraag. Met honderdduizenden gingen de replica’s in binnen- en buitenland over de toonbank. Omdat de klokkenindustrie tegen die tijd uit de Zaanstreek verdwenen was, werden ze in allerlei andere Nederlandse plaatsen geproduceerd, van Schoonhoven tot Almelo. Op dit moment gaan veel oudere exemplaren naar de VS.

Twee mannen en de Zaanse Schans

Twee ondernemende Zaankanters staan aan de wieg van het huidige museum. Eerst was daar in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatselijk architect Jaap Schipper. Met lede ogen zag hij hoe in de omgeving steeds meer authentieke houten huizen verkrotten of werden gesloopt. Jaap begon die vervallen of in de weg staande panden op te kopen.

Hij zette ze bij elkaar op de Zaanse Schans en werd daarmee de grondlegger van het gelijknamige kunstmatige dorpje aan de rivier de Zaan. De Zaanse Schans is echter uitdrukkelijk geen openluchtmuseum. De huizen worden bewoond, de molens zijn in gebruik. Sommige bewoners verdienen de kost met kleine winkels, een kaasmakerij of horeca.

In 1976 werd het laatste huis geplaatst, een voormalige ondernemerswoning, met de uitdrukkelijke bedoeling er een museum van te maken. Zakenman Ber van der Molen, de tweede belangrijke man in dit verhaal, bracht zijn collectie klokken onder in de woning. Vanaf dat moment was dat het Museum van het Nederlandse Uurwerk.

Onvoldoende focus

Tien jaar later besloot Ber van der Molen echter zijn geld anders te gaan beleggen. Een schok in de Zaanstreek, en het startsein voor een grootscheepse inzamelingsactie. Met de opbrengst werd de collectie gekocht en ondergebracht in een stichting.

Hoewel de Zaanse Schans honderdduizenden toeristen uit de hele wereld trekt, stapten weinig mensen over de drempel van het museum Toen in 2015 ook nog de gemeentelijke subsidie ophield, besloot het bestuur dat het tijd werd voor een andere strategie. De huisvesting was prachtig, maar de collectie had onvoldoende focus. Een nieuwe aanpak moest vooral het verhaal over de geschiedenis van en het klokkenambacht in de Zaanstreek beter gaan vertellen. Daar hoorde om te beginnen een nieuwe naam bij.

Woonkamer

De presentatie in de woonkamer is het resultaat van de huidige focus. De wanden zijn authentiek Zaans roze geverfd. Voorheen verduisterde ramen laten weer licht binnen. Een gezellige eettafel met stoelen en een bos bloemen maken het huiselijk. Aan de wanden zijn alle mogelijke Zaanse klokken de blikvangers. Van het simpele oermodel tot steeds verfijnder exemplaren van edele houtsoorten en met signatuur. Elders in het museum is een aantal staande klokken uit de streek te zien, een collectie zakhorloges en natuurlijk de grote torenuurwerken. Maar er is geen twijfel mogelijk. Dit museum gaat over de Zaanse klok.

dav

 

Dit artikel verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

http://www.mnuurwerk.nl

De Gravin zoekt het zelf uit

Een opleiding tot handgraveur is er in Nederland niet meer. Gelukkig zijn er wel mensen als Cécile Oorthuis. Zó gegrepen door het vak, dat ze haar kennis op eigen houtje overal vandaan haalt en voortdurend verdiept. Tot vreugde van menig branchegenoot.

“Op mijn achttiende twijfelde ik tussen de Vakschool in Schoonhoven en het conservatorium in Amsterdam. Die twijfel was niet zo vreemd. Mijn ouders waren goudsmeden en hadden een winkel met sieraden en edelstenen. Wij kinderen waren als vanzelfsprekend bezig met edelstenen, met beitels, met stenen slijpen. Kortom, met allerlei fijn handwerk. Uiteindelijk koos ik toch voor de muziek en werd professioneel dwarsfluitiste. Ik speelde in een orkest, gaf les en vormde met een harpiste een duo, dat nu al vijfentwintig jaar optreedt.

Levendig

Het graveren kwam in 2010 op mijn pad toen een kennis vertelde dat ze in Schoonhoven een cursus handgraveren ging doen. ‘Jeetje, dat zou ook iets voor mij zijn,’ dacht ik meteen, en inderdaad had ik tijdens de basiscursus van tien avonden direct de smaak te pakken. Daarom deed ik bij Zadkine in Amsterdam een vervolgcursus. Dat er verder geen officiële opleiding meer is zag ik als kans, want er zijn weinig mensen die nog handgravures kunnen maken. Terwijl er ondanks computergestuurde- en lasertechnieken zeker vraag naar is. Omdat ze levendiger zijn en eeuwen meegaan. Al snel bedacht ik de bedrijfsnaam De Gravin. Dat klinkt aantrekkelijker dan het wat stijve graveuse.

Oefenen en internet

Het was en is vooral heel veel oefenen. Die zelfdiscipline ben ik als muzikant gewend, en ik vind het werk gewoon heel leuk. Verder ben ik ontzettend gaan snuffelen op internet. Er bleek heel veel zinnige informatie te vinden over het vak en vakgenoten. Zo bestudeerde ik het werk van vooral Amerikaanse master engravers. En ik stuitte op het bestaan van een pneumatische steker, die een eind zou moeten maken aan schouderklachten. Die had ik al snel, omdat ik zoveel oefende. Van een Haarlemse graveur die de Airgraver gebruikte mocht ik het apparaat lenen. Het werkte zo fijn, dat ik al na een dag besloot er zelf een aan te schaffen. Verder heb ik weinig contact met andere handgraveurs. Er zijn er ook niet zo veel. Hun aantal is bijna op de vingers van één hand te tellen.

Klantenkring overnemen

Eind 2013 wilde Herma Lancée haar graveerbedrijf hier in de buurt sluiten vanwege, inderdaad, een hardnekkige schouderblessure. Ze vroeg of ik haar klanten over wilde nemen. Ik ben met allemaal gaan kennismaken en ze wilden graag met mij verder. In januari 2014 werd De Gravin een officieel bedrijf. Mijn klantenkring bestaat voor ongeveer de helft uit juweliers. De andere helft zijn antiquairs, particulieren en organisaties die iets bijzonders willen.

Zweten

Veel mensen zijn de laatste jaren op zoek naar unieke ervaringen en authenticiteit. Ze houden van handgemaakte spullen, van persoonlijke cadeaus. Adellijke families hebben daar een langere traditie in. Ze komen bij mij voor het graveren van zegelringen en gebruiksvoorwerpen. Maar voor een andere particulier heb ik bijvoorbeeld een kindertekening op manchetknopen gegraveerd. Een antiquair heb ik geholpen bij de restauratie van een octant, een houten meetapparaat uit de scheepvaart. De graadverdeling moest gestoken worden op nieuwe ivoren plaatjes. Heel eervol is het graveren van de prijs voor de meest spraakmakende regisseur bij het Nederlands Film Festival in Utrecht. De moeilijkste klus tot nu toe was een tekst in een oester. Als je daar een stukje verkeerd wegsteekt is de schade onherstelbaar. Toen heb ik wel gezweet ja.

Sam Alfano

Tijdens mijn surfsessies op internet was me opgevallen dat vooral Amerikanen veel respect hebben voor ambachtslieden. Sam Alfano uit Louisiana is daar een meestergraveur met een grote naam. Hij bleek af en toe privéleerlingen aan te nemen. Het lukte me om er daar een van te zijn. Ik heb toen een week lang vooral technische lessen bij hem gevolgd. In shading, het mooi steken van schaduw, in sculpting, dat is heel veel materiaal weghalen tot er een reliëf blijft staan, in goud inleggen en in running leaf, een soort kettingdecoratie. Sam gaf me veel complimenten, dat was natuurlijk leuk. Al snel na mijn terugkomst was er een klant die zo’n running leaf op een stalen horlogekast wilde. Dat lukte!

Edelsteengraveren

Verder blijf ik me ontwikkelen door mezelf opdrachten te geven. Ik heb een begin gemaakt met edelsteengraveren. Vooral voor gebruik in zegelringen, met een familiewapen of monogram er in. Het is een heel andere techniek, waar ik me helemaal in vast ga bijten. Het mooie vind ik dat het ook een link heeft met thuis, met de edelstenen die ik elke dag in handen had bij mijn ouders. Ik krijg hulp van Henk de Groot, de laatste maar inmiddels gepensioneerde edelsteengraveur van Nederland, en veel juweliers geven me oefenstenen. Iedereen wil zó graag dat ik het ga doen. Want verder wordt edelsteengraveren vrijwel uitsluitend gedaan in Idar-Oberstein. Het is een potdichte wereld.

Erfgoed

Afgelopen jaar wilde ik mezelf toetsen aan de ballotagecommissie van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Zij nemen ook handgraveurs en diamantzetters op, maar hun lijst met technische voorwaarden is lang. Je moet je eigen gereedschap kunnen maken en allerlei graveertechnieken beheersen. Ik ben er trots op dat ik de toets doorstaan heb en nu lid ben van het Gilde. Dat er helemaal geen vakopleiding meer is was voor mij een kans, maar het blijft ook jammer. Handgraveren is toch bijna immaterieel erfgoed.”

https://degravin.jimdo.com/

 

Dit verhaal verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

De waarde van al wat tikt

‘Heel veel’ vervalsingen krijgt hij onder ogen. Meestal heeft hij het snel door, maar soms is een kopie zo goed dat zelfs hij twee keer moet kijken. Uurwerktaxateur Antoon Gaemers over techniek, kwaliteit en, vooral, emotie.

“Nederlandse juweliers die een Rolex aangeboden krijgen, bellen me geregeld voor een verificatie. Als er een ETA-uurwerk in zit ben ik kort: dan is het geen Rolex. Al kan het best een goed horloge zijn. Een zelfde reactie krijgt Justitie wanneer die in het kader van de Pluk ze!-maatregel een gouden Rolexkast laat taxeren. Als het origineel tachtig gram moet wegen en het is maar veertig gram, weet ik het al. Vervalsingen zijn aan nog veel meer te herkennen. Aan de wijzerplaat, het type schroefjes, het materiaal, de vertanding van het raderwerk. Maar sommige met nieuwe lasertechnieken gemaakte imitaties zijn steeds lastiger te onderscheiden van het hoogwaardige product. Zo nu en dan moet ik echt twee keer kijken.

Stijl versus techniek
Ik roep altijd: ‘Een goede taxateur moet eerst uurwerkmaker zijn.’ Je moet met klokken beginnen en bij horloges eindigen, zodat je al die verschillende mechanieken in handen hebt gehad. Opengemaakt, gezien, gerestaureerd. Daarom probeer ik eersteklas uurwerkmakers te stimuleren ook taxateur te worden. Het is zo’n interessant en breed terrein. Je moet natuurlijk om te beginnen technische kennis hebben. Liefst vanaf de zonnewijzer, en minimaal vanaf het eerste slingeruurwerk van Christiaan Huijgens in de zeventiende eeuw. Er hoort flink wat stijlkennis bij. Is een klok of horloge uit de empiretijd? Louis XVI? Art Déco? Bij de waardebepaling kan de stijl soms belangrijker zijn dan de kwaliteit van het uurwerk. Je moet ook de geschiedenis van klokkenmakers en fabrikanten kennen. Daar zijn gelukkig veel boeken over. Onder andere Patek Philippe, Jaeger Le Coultre en Rolex hebben hun eigen producten goed gedocumenteerd.

1952
Ik ben registertaxateur, gecertificeerd door de Vereniging van Taxateurs, Makelaars en Veilinghouders. Elk jaar moet ik laten zien dat ik bijblijf. Daar krijg ik punten voor, en de certificering wordt iedere vijf jaar herzien. In Nederland is nog een andere opleiding: Taxeren van Juweliersartikelen van na 1952. Die grensdatum wordt gehanteerd, omdat vanaf die tijd de betere horlogemerken goed zijn gaan documenteren. Hooguit tien collega’s combineren dat diploma met een eigen winkel. Door hun praktijkervaring hebben ze overigens dikwijls ook veel kennis van horloges van vóór 1952. Ze overleggen vaak met elkaar. Dat vind ik verstandig, want samen weet je meer. Ik ben de vierde generatie van een uurwerkmakersfamilie en opgegroeid in de werkplaats, maar ook ik weet nog steeds niet alles.

ETA in plaats van Patek
Een taxatie begint met het bepalen van de constructie van het uurwerk. Is het een cylinder, een spillegang, een Zwitserse ankergang? Daarna bekijk ik de kast. Als hij van edelmetaal is moeten de keurtekens kloppen. De wijzerplaat is ook van grote invloed op de waarde. Hij kan op veel manieren gemaakt en versierd zijn. Geëmailleerd, geguillocheerd, gedrukt. De wijzerplaten van oudere Patek Philippes zijn geblauwd met olie en warmte. Door het verstrijken van de tijd worden ze bruin. Zo’n model brengt meer op dan een later exemplaar dat gekleurd is met lak op waterbasis. De wijzerplaten horen met pennetjes bevestigd te zijn aan het uurwerk. Je ziet vaak dat die pennetjes zijn afgeknipt, en dat het originele uurwerk vervangen is door een standaard exemplaar. Dan kan je zomaar een Patek Philippe hebben met een ETA kwartsuurwerkje erin. En opeens is zo’n horloge nog maar € 1000,- waard, in plaats van € 10.000,-.

Firmanaam
Zeldzaamheid is van grote invloed op de waarde. Topmerken geven hun horloges kaliber- en serienummers. Bij prijzen boven de € 15.000,- worden die nummers bepalend, omdat er van de ene serie honderd zijn gemaakt, van de andere misschien wel duizend. Zelfs de band weegt mee in de waardebepaling. Voor 1952 werden horloges vaak verkocht aan goudfirma’s, die er zelf een gouden band aan monteerden. Het was ook niet ongewoon dat de juwelier er zijn eigen naam op zette. Wat zeker niet wil zeggen dat dat slecht is. Het maakt horloges zoals Rolex by Gublin of Patek by Tiffany uniek en soms wel € 20.000,- meer waard. Fabrieken vonden het ook geen enkel punt. Voor goede klanten deden ze dat graag. Hun naam was minder belangrijk – voor het publiek was de juwelier de belangrijke man. Tegenwoordig is het net andersom.

Geliefd
De meest geliefde horloges op dit moment zijn Pateks, oude Heuers, originele Breguets en de Jaeger Le Coultre Reverso. En Rolex natuurlijk, dat nooit gestopt is met het maken van het model Oyster Perpetual, een mechanisch horloge. Een gecompliceerd uurwerk mag wat kosten, maar slecht onderhoud doet enorm afbreuk aan de waarde. Een gouden JLC Monovox uit de jaren zestig die toen fl. 300,- kostte, brengt nu op zijn sloffen € 5000,- op. Maar alleen mits goed onderhouden.

Goud en staal
Veel van mijn klanten zijn particulieren. Ze willen taxatie van een erfstuk, of hertaxatie voor een verzekering. Ze hebben soms een weinig realistisch beeld van de waarde. Een Breguet die niet door hem zelf is gesigneerd brengt bijvoorbeeld niet zo veel op. Het gebeurt ook dat ik mensen totaal kan verrassen. Zoals een familie met vier Patek Philippe Calatrava’s, een standaard zakhorloge. Drie waren van goud, een was van staal. Het gouden exemplaar taxeerde ik op een bedrag tussen de €3000,- en €4000,-. Ze verwachtten dat het stalen model dus minder waard zou zijn. Maar daar waren er maar 44 van gemaakt! Het was met een geschatte waarde tussen de € 20.000,- en € 30.000,- veel waardevoller dan de gouden horloges.

Je zou kunnen anticiperen op zo´n verwachting en een goede slag slaan, maar ik vind ethiek in dit vak belangrijk. Klanten moeten je kunnen vertrouwen. De gesprekken met hen vind ik altijd heel leuk. Ik vertel zoveel mogelijk, want een horloge is voor de klant vaak emotie. Dat is ook voor mij uiteindelijk het belangrijkste. Iets wat mooi is, hoeft niet altijd economische waarde te hebben.”

https://gaemers.nl/

https://www.patek.com/en/home

https://www.chrono24.nl/breguet/index.htm

https://www.jaeger-lecoultre.com/eu/en/home-page.html

https://www.rolex.com/

  

 

Dit artikel verscheen in magazine Horloges/0024, editie 68

Op 22 april 2020 overleed Antoon Gaemers aan de coronagriep.

In wezen ben je zélf een klokkenverzameling

Het raadsel tijd

Voor de tijd hebben we geen orgaan. Kleine en grote uurwerkcollecties zijn om het fenomeen heen gebouwd, terwijl je het niet kunt zien, horen, ruiken, voelen of proeven. Journalist Alan Burdick onderzocht het in al zijn aspecten in een boek over tijd en waarom die vliegt.

Als jongvolwassene weigerde Burdick een horloge te dragen. Tijd voelde voor hem als een drukkende last, van bovenaf opgelegd. Geleidelijk realiseerde hij zich dat hij de tijd meed omdat hij er heimelijk bang voor was, al had hij geen idee wat het eigenlijk was (en is). Op een dag besloot hij op zoek te gaan naar het antwoord, bij klassieke en moderne filosofen, bij wetenschappers en bij zijn eigen uurwerkreparateur. Waar hij snel achter kwam, was dat er niet één waarheid is over de definitie van tijd. Best merkwaardig, als je bedenkt dat onze hele samenleving rond tijd is opgebouwd.

Uren, minuten, seconden

Wat elke klok in essentie doet, is de dag opdelen in handzame eenheden. Een heel bruikbaar, door mensen bedacht systeem. Tot de twintigste eeuw maten klokken de uren en de minuten. Met de komst van het quartz-uurwerk werd ook de seconde belangrijk. Burdick kreeg er mee te maken toen hij, al jaren getrouwd, van zijn schoonvader zijn allereerste horloge cadeau kreeg. Een Concord quartz, met de uuraanduiding in goudkleurige streepjes. Niet dat het hielp: op zijn afspraak bij het Bureau International des poids et mesures in het Franse Sèvres kwam hij prompt te laat. Het Bureau is een van de plekken waar hij mensen interviewde die zich beroepsmatig bezig houden met tijd. In zijn boek komt de lezer ze allemaal tegen.

Celklok

De schrijver vertelt mooie verhalen over de afstelling van alle uurwerken ter wereld op dezelfde tijd: de Universal Coordinated Time. Over hoeveel mensen daar dagelijks mee bezig zijn, en waarom dat belangrijk is voor het goed functioneren van GPS-systemen. Hij laat wetenschappers aan het woord die zich bezighouden met hoe tijd in lichaam en geest functioneert. Zij stellen dat zich in allerlei organen en zelfs cellen klokken bevinden, die met elkaar communiceren en zich op elkaar afstemmen. Een wetenschapper bracht maanden achter elkaar alleen door in een grot, afgesloten van het dag- en nachtritme dat door de zon wordt bepaald. Toen hij weer bovenkwam bleek dat hij er bijna een maand langer was gebleven dan hij dacht. Hetzelfde viel op bij mijnwerkers die na een ongeval tien dagen onder de grond hadden gezeten, maar dachten dat het drie dagen waren geweest.

De mens als klok

Onder al onze levens loopt de cyclus die de etmalen indeelt. Talloze lichaamsritmes- en processen worden er door bepaald. Zo is je bloeddruk het hoogst rond het middaguur, en je alertheid het laagst tussen drie en vijf uur in de ochtend. De cyclus is een klok die blijft ‘tikken’, ook als de mens, het dier, de plant en zelfs de schimmel lang achtereen geen daglicht ziet. Nog mooier is de constatering dat iedere cel in het lichaam zijn eigen klok heeft. Een volwassen menselijk lichaam bestaat uit zo’n vijftig miljard cellen. In wezen ben je zélf een klokkenverzameling.

Gelaagde ervaring

Er is dus ‘meetbare’ tijd, aangegeven door een klok. En er is de tijd die je intern ervaart. Maar we gebruiken het woord ook om aan te geven hoeveel uren zijn verstreken, en in welke volgorde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. We gebruiken het om verschil te maken tussen heden, verleden en toekomst, en om nú aan te duiden. Tijd is, kortom, een gelaagde ervaring. In ‘Waarom de tijd vliegt’ mengt Burdick wetenschappelijke waarnemingen en filosofische theorieën met zijn persoonlijke ervaringen. De voor jonge ouders verschrikkelijke ochtendklok van baby’s bijvoorbeeld. De interne klok van algen in de vijver bij zijn kantoorgebouw. Zijn tocht naar de Noordpool in Alaska, waar hij ervaart hoe het is als de dag duurt van half mei tot half augustus.

Vliegen

Tijdloosheid is benaderd door experimenten in donkere grotten of op plekken met eindeloos daglicht. Het kan ook door een lange vliegreis te maken, langs de 24 tijdzones van elk een uur breed. Een intercontinentale vlucht is misschien ook wel de ideale gelegenheid om dit boek te lezen. Je ervaart aan den lijve de tijdsverschillen tussen de ene bestemming en de andere. Over het algemeen is er weinig afleiding, dus je kunt goed opletten. Dat vraagt dit boek ook wel van je. Soms zijn de uitweidingen over wetenschappelijke onderzoeken taai. Dan denk je als lezer: ‘Ja ja. Het zal wel, lekker belangrijk, die femto-, atto- en zeptoseconden, of die beschrijvingen van ogenschijnlijk pietluttige experimenten.’ Sla ze gewoon over en geniet van de fascinerende kennis die je opdoet. Na lezing weet je waarom de astronomie aan de basis staat van de tijd die onze klokken aangeven. Hoe en waarom tijdssystemen ons bestaan gemakkelijker hebben gemaakt. En misschien ook wel of de tijd écht vliegt.

 

Alan Burdick

“Waarom de tijd vliegt”

Uitgeverij Meulenhoff Boekerij

ISBN 9 789029 092128

Dit verhaal verscheen eerder in 0024, magazine over Haute Horlogerie