Het meisje dat voorliep

In 1975 was Nellie Vliegenthart het enige meisje in de eerste klas van de opleiding horlogemaken aan de Rotterdamse Christiaan Huygensschool. Een positie waar ze even aan moest wennen. Dat duurde gelukkig maar kort. 44 jaar later geniet ze nog elke dag van haar vak.

“Open dagen op scholen waren midden jaren zeventig een onbekend fenomeen. Er was in het algemeen weinig informatie over wat opleidingen eigenlijk inhielden. Ik kwam op de Christiaan Huygens terecht door mijn oma, die ergens gehoord had over de horlogemakersafdeling daar. Dat leek haar wel iets voor mij, omdat ik goed was in wis- en natuurkunde en altijd zat te knutselen met hele kleine kraaltjes. Mijn moeder vond het een goed idee. Dat ik als zestienjarig meisje in Rotterdam naar school zou gaan en gewoon thuis blijven wonen was vanzelfsprekend. Zonder dat we gingen kijken gaf ze me op als leerling, en dat was dat.

Alle vakken leuk

De school was gevestigd in een flatgebouw aan de Benthemstraat, vlak bij het Hofplein. Het was een MTS met meerdere vakrichtingen in de precisiesfeer, zoals optiek en fijnmechanica. Bij horlogemaken vond ik alle vakken meteen leuk. Later kwam ik er achter dat er ook een MTS-opleiding in Schoonhoven en een horlogemakers-LTS in Hoorn waren, maar dat de Christiaan Huygens wel gezien werd als dé opleiding. In het begin vond ik het eng om het enige meisje te zijn tussen veertien jongens. Na een half jaar was dat wel over en voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam ook door meneer Kooregevel, een van mijn praktijkdocenten. Hij gaf me wat extra aandacht en mede daardoor groeide mijn zelfvertrouwen.

Ruige buurt

Tijdens mijn stage en de vier jaren erna deed ik veel verschillende ervaring op. Op mijn stageadres in Den Haag leerde ik zowel van de eigenaar van de juwelierszaak als van een collega-uurwerkmaker. Ik kreeg er meteen al dure merken als Alpina en IWC onder handen. Mijn eerste echte baan kwam, net als mijn beroepskeuze, zonder veel poespas tot stand. Op het raam van een winkel aan de Kruiskade, tot de dag van vandaag een behoorlijk ruige buurt in Rotterdam, hing een briefje: ‘Uurwerkmaker gezocht’. Ik liep naar binnen, had een kort gesprek en kon meteen beginnen. Omdat ik de enige uurwerkmaker was, moest ik vanaf dat moment alles zelf uitzoeken. Best pittig. Ik ben er weggegaan toen de verkoopster aan het eind van een zaterdagmiddag de zaak afsloot en mij, gewoon op die enge straat vol drugshandelaren, de sleutel gaf. ‘Doe jij maandag open?’, vroeg ze. ‘Want dan ben ik er niet.’ Die verantwoordelijkheid was me te groot, ik was pas twintig. Dus heb ik mijn ontslag genomen. Niks opzegtermijn of contractgedoe. Het is wel grappig hoe eenvoudig dat toen nog was.

Een officieel bedrijf

Bij een reparatiewerkplaats voor juweliers waar ik vervolgens in dienst kwam, was ik veel beter op mijn plek. Ik had vijf collega’s, het was gezellig, we leerden van elkaar. Ik bleef er tot mijn eerste zwangerschap. Toen verhuisde ik naar Capelle aan den IJssel en deed voortaan aan huis opdrachten voor familie en vrienden. Zodra mijn jongste kind naar de basisschool ging, had ik weer meer tijd om te werken. Een juwelier met twee zaken vroeg of ik zijn reparaties wilde doen. Daarmee had ik een officiële klant. Met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel begon ik daarom ook een officieel bedrijf. Al snel volgden meer juweliers in de omgeving van Capelle en Rotterdam en deed ik reparaties voor Seiko. Dit jaar vier ik mijn zilveren bedrijfsjubileum!

Openmaken

Bijblijven op mijn vakgebied doe ik door gewoon door te gaan. Iets open durven maken en bij twijfel de volgorde fotograferen waarin ik het uurwerk uit elkaar haal. Verder ben ik lid van het Uurwerkherstellersforum online. Een plek waar vakgenoten elkaar vragen stellen of ze beantwoorden, en elkaar helpen aan oudere onderdelen. Ik ben trouwens om een andere reden toch nog in Schoonhoven terecht gekomen. Het leek me leuk om ook te kunnen goudsmeden. Daarom heb ik avondcursussen gedaan. Eerst op de Vakschool met dertig medeleerlingen, later in een veel kleinere groep in de werkplaats van edelsmid Ad Brandenburg. Alles bij elkaar wel negen jaar. De kennis van edelmetalen en bewerkingstechnieken komt soms nog van pas bij het restaureren van klokken.

Particuliere liefhebbers

Net zoals bij andere ondernemers zijn er drukke en stillere tijden. De crisis die in 2008 losbarstte voel ik zelfs nu nog. Wat jammer is, en dat zeggen natuurlijk meer collega’s, is dat veel merken reparaties naar zich toetrekken en geen onderdelen meer leveren. Wij hebben daardoor minder te doen en de consument is duurder uit. Bovendien zijn veel horloges duurder om te repareren dan om nieuw aan te schaffen. Of mensen lezen de tijd op hun telefoon. Particuliere liefhebbers van mechanische horloges komen gelukkig nog wel voor reparaties. Zelfs vanuit noordelijk Noord-Holland komen ze naar me toe, dankzij mond-tot-mond reclame. Dat blijft toch de beste aanbeveling. Verder knap ik klokken op die mensen niet meer willen hebben. Daarna verkoop ik ze.

Torenuurwerk

Ik had ook automonteur kunnen worden zoals mijn vader. Daarin is altijd werk. Maar ik vind dit mooi. En als er iets bijzonders op mijn pad komt, dan graag. Ik zou nog wel eens een torenuurwerk willen doen. Veel groter werken, met andere machines en met vakgenoten, want zoiets kan je niet alleen. Ik ben trots op wat ik doe, ik ga er zo lang mogelijk mee door. Mijn kinderen plagen me weleens. Dan zeggen ze: ‘Jij stopt pas met klokkenmaken als je de kist ingaat.’ “

 

www.uurwerk-techniek.nl

https://www.vakschoolschoonhoven.nl/Studeren/Studiewijzer/uurwerkhersteller%20branche-erkende%20opleiding.aspx

Dit verhaal verscheen in het vakblad Edelmetaal, editie Maart 2019

 

 

Advertenties

Dessau en het verlangen naar kunst

Je merkt het nauwelijks, eigenlijk. Een paar decennia geleden was dat wel anders. Bij checkpoint Charlie lieten nors kijkende mannen in groene uniformen je met tegenzin binnen. Het land had westerse deviezen nodig, en daarom was Oost-Berlijn voor gedegenereerde kapitalisten toch te bezoeken. Geïntimideerd schuifelden die de grens over om te kijken naar die hen zo vreemde, grauwe stad. De rest van het land kon je vergeten. Op die ene rechte weg dwars door de DDR na dan.

Ergens ben ik de verdwenen grens overgegaan, zonder het in de gaten te hebben. Want veel wegen zijn prima, kastelen prachtig opgeknapt, het assortiment in supermarkten is ruim en het eten in restaurants goed. Dat ik in de voormalige DDR ben valt me pas op, als ik in Gatersleben denk dat het net zo goed Gaterstot had kunnen heten. De meeste inwoners zijn weg. Vertrokken naar een plek met meer werk, meer comfort, meer plezier. Veel huizen liggen er verwaarloosd bij.

Het volgende dorp heet Schadeleben. Letterlijk vertaald klinkt dat als: Jammer zeg, leven. Ik rijd er eindeloos rondjes omdat de bewegwijzering alle kanten opgaat, behalve de juiste. In Stassfurt zijn straten vol oude gaten. Het centrum is vier meter verzakt door de kalimijnbouw in de communistische tijd. Waar ooit een middeleeuws centrum was, is nu een stadsmeertje.

Ik ben blij dat ik na één overnachting in een monteurspension weer weg kan. Op mijn fiets is het leven altijd goed, de natuur tussen dorpen en stadjes prachtig. In iedere woonplaats denk ik, nog een klein eindje verder, want hier is het ook niet bijster bruisend. Laat in de middag begint het te regenen. Maar ik zie op een bordje dat het nog maar twintig kilometer is tot Dessau.

Ik ben opgetogen. Dessau, de geboorteplaats van de Bauhausbeweging! Een stroming waar we het tijdens de lessen kunstgeschiedenis op school vaak over hadden. De bakermat van het  modernisme, de Duitse zusterbeweging van De Stijl. De grondleggers vluchtten begin jaren dertig voor de nazi’s. Na de oorlog hadden de communisten weinig belangstelling voor de vooruitstrevende gebouwen en kunst die ze achter hadden gelaten. Al waren ze de helden van westerse architecten en kunstenaars, Dessau was toen een onbereikbare bestemming in een afgesloten land.

Nu kan ik er gewoon op de fiets naar toe.

Ondanks de regen krijg ik vleugels. Ik wist niet dat het kon, maar opeens verlang ik naar kunst. Naar interessante dingen om naar te kijken, naar nieuwe ideeën, naar inspiratie en opwinding. Ik denk aan keramiste Dorothea, die me vertelde dat ze na de Wende eindelijk materiaal kon aanschaffen om uitzinnig gekleurd werk te maken. Ze verkocht het in grote aantallen. “Die Leute haben sich so gesehnt nach Farbe, nach fröhlichem”, zei ze. Ik snap precies wat ze bedoelt.

Doorweekt kom ik aan op mijn slaapadres. Een oude villa met een moderne aanbouw. In Bauhausstijl.

 

Jugendherberge Dessau-Roslau

Bauhaus

 

Bauhaus trappenhuis

 

http://www.bauhaus-dessau.de/de/geschichte/bauhaus-dessau.html 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bauhaus

http://www.walter-gropius.com/

http://www.spiegel.de/kultur/gesellschaft/bauhaus-neue-meisterhaeuser-in-dessau-a-969782.html

De ziel laten schommelen

Grote hoofden, grote lichamen. Vaak te zwaar. Fysiek zijn ze behoorlijk aanwezig, onze Oosterburen. In de landelijke gebieden van Noordrijn-Westfalen en Saksen-Anhalt zelfs nog iets meer dan in de steden, lijkt het. De mannen doen me in hun geruite overhemd met korte mouwen denken aan uit de kluiten gewassen kinderen. De enorme T-shirts met ronde hals waar de vrouwen zich in hullen zijn maximaal seksloos.

Zonder uitzondering zijn ze beleefd. Misschien zelfs braaf. En gezagsgetrouw. Als ik op een volmaakt lege straat door rood fiets krijst een vrouw op de stoep: “Führerschein einnehmen, das sollte mann!” Bij mij zou dat niet helpen. Ik heb niet eens een rijbewijs.

Op een terras in Höxter ergert een man zich aan het geskype van twee Afrikanen en een hooliganachtige Duitser. Ik begrijp zijn ergernis. Ook ik vind het harde, krakerige geluid uit hun telefoon hinderlijk. Maar als hij hen toebijt: “De politie zal jullie wel leren om je aan de regels te houden”, vind ik zijn machteloze dreigen met een autoriteit toch irritant.

In Duitsland zijn de meeste dingen goed geregeld, en bijna iedereen houdt zich aan die regels. De keerzijde is dat het leven tamelijk voorspelbaar en weinig opwindend is. Zou dat een reden zijn om zoveel te eten en te drinken, vraag ik me af. Je hebt wat te doen en het geeft een aangenaam gevoel ten slotte. Misschien is de veilige saaiheid van het bestaan ook de reden dat ze zoveel krimi’s produceren. Iedere avond zijn er op de verschillende zenders wel een paar te zien, meestal van eigen makelij. Met fantastische acteurs, sterke dialogen, prachtig camerawerk. Daar kan je lekker wat angsten voelen, terwijl je veilig thuis zit en een koel glas bier nooit ver is.

Maar als ik naar het landschap kijk, valt me iets anders op.

De kastelen. Het zijn er veel, heel erg veel. Vaak schitterend gebouwd, omringd door fraaie tuinen en liefdevol onderhouden. Geen stoere, maar van die uitbundige met allerlei torens en versierde kozijnen en beeldhouwwerk en kleuren. De ene toeristische tekst vertelt bezoekers hoe geschikt het kasteel en zijn omgeving zijn um deine Seele baumeln zu lassen. Een andere roept op om je er met je geliefde te verpozen, om je hart te laten spreken. Omdat de liefde immers het belangrijkste is in het leven.

Het ontroert me.

In die grote koppen, in die grote lijven, daar huist een intens romantische ziel.

 

http://programm.ard.de/TV/Themenschwerpunkte/Film/Krimi/Startseite

Schloss Bevern          

Verfbeest

Buiten is het fris. Koud zelfs, soms. De meteorologische winter duurt nog dik een maand, en ook daarna blijven de temperaturen vaak een hele tijd laag en de dagen kort.

Maar hoe beschaafd we ook zijn, hoe goed verwarmd onze ruimtes en hoe onbeperkt de toegang tot verlichting, we voelen aan ons water dat de lente eraan komt. En daarmee borrelt ook een oeroud instinct weer op.

Dan willen we het nest in orde maken. Schoon, fris, opgeruimd, klaar voor de nieuwe babies. Of die nu komen of niet. Een vers verfje op deze of gene muur of kozijn hoort er bij.

Veel van die verf ziet er leuk uit, maar is niet zo schoon en fris meer wanneer de resten in het milieu terecht komen. Datzelfde milieu waar we ons water uit halen, en waar ons voedsel wordt gekweekt. Daarom bedacht wateringenieur Gijs van Ginneken een manier om dat verfje wél minder schadelijk te maken. Hij produceert nieuwe, kwalitatief goede latex van resten die zijn afgegeven bij verschillende afvalinzamelaars.

Latex is zijn eerste stap. Olieverven met hun diverse samenstellingen zijn nog te ingewikkeld om te recyclen en verdwijnen in de vuilverbranding. De geproduceerde latex is volgens van Ginneken een kwaliteitsverf, en dus in prijs vergelijkbaar met nieuwe. Wel is de winst van zijn bedrijf Ecopaints lager dan gangbaar, want de kosten zijn op dit moment nog hoog door de kleine productie. Maar wellicht kan Ecopaints dit jaar al opschalen, als twee grote ketens de verf in hun assortiment gaan opnemen.

Luisteren naar je instinct en weer een beetje beest worden kan dus heel gemakkelijk. Gewoon je nest opfleuren met gerecyclede verf.

 

http://eco-paints.nl/over-eco-paints/

https://www.akzonobel.com/nl/news_center/news/nieuws_persberichten/2017/geef-verf-een-nieuw-leven.aspx

 

 

 

verf

Stille vreugde in Den Helder

Eerst is de vreugde uitbundig, als ik het onopvallende houten hek doorga en opeens langs ruisende bomen over een modderig pad loop. Terwijl ik een minuut geleden nog op het pijnlijk lelijke station van Den Helder Zuid stond. Vanaf de eerste meters is De Nollen prachtig. Dat het binnenduingebied dicht bij zee ligt ruik je niet, maar zo’n harde wind is verder landinwaarts ongekend. Hevige novemberhagel laat me nog meer naar adem snakken.

Aan het eind van het pad is schuilplaats in een groot atelier, een vakwerk van vierkante glasplaten in brede donkerhouten sponningen. Vanaf deze plek ademt alles harmonie. Wanneer het droog is wandelt een vriendelijke gids mee naar de beelden, allemaal ontworpen door kunstenaar Rudi van de Wint. Door hun formaat zijn ze letterlijk indrukwekkend. Toch overdonderen ze niet. Zelfs de beelden die met een oude bunker als sokkel uitgroeiden tot gebouwtjes zijn vriendelijk, en eenmaal binnen zelfs veilig.

De kleine ruimtes, met heel smalle deuren die de vorm zo min mogelijk verstoren, voelen sacraal. De wind loeit er om heen. Mijn mond houden gaat vanzelf, de vreugde is een stille geworden. Ik wil uren op de vloer van een driehoekig vertrek gaan liggen en door het glazen dak naar de lucht kijken. Of verscholen in een onderaardse gang genieten van fijnzinnige doorkijkjes.

Het gatenraster rondom een beeld laat het lijken op een biechtstoel. Maar een priester die je vertelt hoe je je zonden weg kunt bidden is op de Nollen overbodig. Of binnen of buiten, hier zijn is genoeg.

Domweg vredig in Antwerpen

“De roltrap is stuk”, zegt de kleine dame bij de ingang. “U zult de lift moeten nemen.”

Mijn hart begint te bonzen, ik voel mezelf bleek en wankel worden. Maar de lift heeft het formaat van een kleine huiskamer en plaats voor tachtig mensen. Alleen vier Belgen staren op dit uur zwijgend langs elkaar heen. Aan de loodgrijze wand laat een A-viertje weten dat de houten roltrap in reparatie is. Het gaat even duren, tot april volgend jaar. De onderdelen zijn wegens ouderdom niet meer te krijgen en moeten opnieuw gemaakt worden.

Eenendertig meter lager begint de voetgangerstunnel. Ruim een halve kilometer buis met een lambrizering van witte tegeltjes. De gladde betonplaten die het middendeel van het looppad bekleden, hebben een subtiel versierd ijzeren randje. De miljoenen kubieke meters bruingroen water boven je hoofd ruik je niet. De lucht is zelfs een beetje droog. Nergens op de wit geschilderde bovenhelft van de buis graffiti. Nergens hangende groepjes, jong of anderszins. Twee kleine meisjes fietsen samen naar de overkant. Pubers kuieren met een cola in de hand, heren keuvelen. Tussendoor rijdt een enkele mountainbiker. Op een gegeven moment zijn begin of einde van de tunnel niet meer te zien. Alleen blauwgeglazuurde lettertjes op ooghoogte geven elke honderd meter de afstand tot de andere oever aan.

Ik vind het goed. Deze ondergrondse dorpsstraat mag van mij nog kilometers doorlopen. Na 572 meter ratelt de roltrap naar boven wèl. Ik hoef niet mee. Ik mag beneden blijven en terugslenteren. Mijn hart slaat vredig.

Hellevuur

“De bunker” noemen ze het. Een betonnen bak van duizelingwekkende afmetingen, waarin huisvuil 30 meter hoog ligt opgetast. De damp slaat eraf, want koffiedrab, maandverband en vochtige verpakkingen broeien snel. Een waas van de weerzinwekkende stank die daar moet hangen, dringt door het centimeters dikke glas van de bedieningsruimte. De man in zijn grote comfortabele stoel laat, met onbewogen gezicht, een enorme grijper in de berg afval zakken. Met één hap pakt hij 8000 kilo huisvuil op en loost het in een trechter. Scènes uit films komen me voor ogen, waar mensen in graansilo’s vallen, of klem zitten tussen immense machinekleppen die steeds dichter naar elkaar toe bewegen. Dezelfde rilling liep me buiten al over de rug. Daar lossen vrachtwagens de inhoud van grijze zakken en kliko’s in toevoersleuven. Naast iedere sleuf een grote alarmknop en het bordje: man in bunker.

Het gevoel van spanning wordt nog groter bij een blik in de immense ovens. Temperaturen van 1000 graden maken korte metten met alles wat zo achteloos in vuilniszakken is gegooid. En als ik op de trillende vloer sta, naast de gigantische turbine die met 3000 omwentelingen per minuut elektriciteit maakt uit het verbrande afval, word ik stil van ontzag voor zoveel menselijk kunnen.
De Alkmaarse Huisvuilcentrale lijkt op een tempel. Vanaf de vloer kijk je rechtstreeks naar het 50 meter hoge plafond. Overal is het spic en span, in het hart brandt dat helse vuur. Dit is waarlijk de triomf der techniek. Ik bid: “Dank u wel God, voor de bèta’s.”

 

2015-07-05 14.04.46

http://www.hvcgroep.nl

Wonen aan een gracht

Veel architecten halen er hun neus voor op. “Kitsch”, smalen ze misprijzend. Of: “Anton Pieck-architectuur.” Dan hebben ze het over nieuwbouwwijken, die in hun stratenpatroon en bebouwing doen denken aan middeleeuwse stadjes. Met variatie in gevels en gevelhoogte, straten met een bocht, soms een grachtje. Je ziet ze in heel Nederland, van Brandevoort in Helmond tot Op Buuren in Maarssen. En ja, helemaal origineel is het inderdaad niet.

Daar staat tegenover dat de sfeer in zulke wijken er vanaf het begin in zit. Al zijn de straten en huizen gloednieuw en moeten de meeste bomen nog groeien, blijkbaar hebben ze een schaal en vormgeving waardoor ze meteen bewoond aanvoelen. Kinderen spelen er op straat, ’s avonds krijg je vanzelf zin in een ommetje. De omgeving nodigt eerder uit tot lopen en fietsen dan tot autorijden, laat staan tot ermee scheuren.

Recycling van architectuur en stadsplanning is bijna zo oud als.., nou ja, bouwen zelf. Griekse zuilen, Romaanse ramen, gekke metselwerkjes, ze komen telkens weer terug. Je kunt het kitsch noemen, maar ik vind de Anton Pieck-wijken een verademing na de eenvormige rijtjeshuizen en betonnen flats waar de naoorlogse generatie noodgedwongen in woonde. Soms stonden die zelfs in wijken waar de straten nummers hadden in plaats van namen, zoals in het Nijmeegse Zwanenveld. De Brandevoorts en Op Buuren’s van Nederland lijken meer rekening te houden met wat mensen nodig hebben om zich prettig te voelen.

Want heel prettig is het zelden, in inwisselbare straten en rechthoekige flats die vooral uit beton, staal en glas bestaan. Zelfs al is er heel speels hier of daar een hoekje uitgesneden, of een ander blok er in een scheve hoek tegenaan geplakt. Het is wat architecten doen die modernistisch bouwen. Hartstikke mooi voor de liefhebber, maar knap saai voor wie er woont. En net zo goed kitsch, want modernisme is een stroming uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Rond de tijd dat ook Anton Pieck aan zijn loopbaan begon.

 

2015-06-12 12.27.19

http://www.architectenweb.nl/aweb/archipedia/archipedia.asp?ID=127

 

 

De levensvreugde van ingenieurs

Hoor je het accordeon al? Ruik je de knoflook en de wijn? Krijg je meteen associaties met lingerie en elegante mode? Als je aan Frankrijk denkt, zijn zintuiglijke genoegens vaak het eerste waar je aan denkt.

Een mooi contrast met al die wulpsheid is dat Fransen ook fantastische ingenieurs zijn. Hun treinen en spoorwegstelsel zijn comfortabel en hypermodern. Zij hadden met Minitel als eersten in Europa een soort internet, waar telefoonabonnees onbeperkt nummers in konden opzoeken. En vergeet niet het sublieme staaltje ingenieurswerk, dat de stad haar identiteit gaf en zijn kosten inmiddels driedubbelendwars heeft terugverdiend in allerlei aan toerisme gerelateerde inkomsten: de Eiffeltoren.

Een evenwichtige stalen schoonheid, die dag en nacht bezoekers trekt. Met lampen aan, afstekend tegen een nachtelijke hemel, is hij nog mooier. Wel duur natuurlijk, want dat vreet stroom. Dus onlangs hebben die dekselse Fransen, tussen het langdurig lunchen en pendelen van voorstad naar  werkplek en terug, iets voor de toren bedacht waarmee ze hun reputatie van slimme ingenieurs opnieuw bevestigen.

In de Eiffeltoren worden windturbines gebouwd, die genoeg stroom op moeten wekken om de hele  eerste verdieping te laten functioneren. Dus niet alleen die romantische verlichting, maar ook de liften en alles wat het museumpje aan elektriciteit nodig heeft.  De turbines zijn vrijwel geluidloos en dankzij een speciale verf praktisch onzichtbaar. Verder komen er in de toekomst LED verlichting, zonnepanelen, een system om regenwater te verzamelen en hoog rendement warmtepompen.

Praktisch, ecologisch en toch mooi. Dat noem ik nog eens joie de vivre. Of,  iets minder welluidend: duurzaamheid op zijn best!

http://www.toureiffel.paris/en/the-new-1st-floor/discover-the-new-1st-floor.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Minitel

Eiffeltoren 120 jaar            14_feu-dartifice-de-lan-2000-et-scintillement_DR

Lekker binnen

De bouwsector, da’s de grootste energievreter van allemaal. Al die verschillende materialen die gemaakt en vervoerd en verwerkt moeten worden doen dat niet op een hap lucht. Zo’n veertig procent van het energieverbruik in Europa is voor de bouw, en met een bezoekje van drie minuten aan een bouwplaats zie je dat de afvalberg die daar ontstaat ook indrukwekkend is.

Maar wij willen allemaal wonen, werken en recreëren in comfortabele en als het even kan ook mooie gebouwen. En bijna iedereen die zijn/haar brood verdient in de bouw wil iets goeds neerzetten en geen vieze vervuiler zijn. Wie er desondanks onverschillig tegenover staat, zal toch duurzamer moeten gaan werken. Omdat het op de lange duur voordeliger is, en omdat het moet van de wetgever.

Afgelopen week zag ik heel van die goede intenties op de Bouwbeurs in Utrecht. Mannen in spijkerbroeken, wijde jassen gemaakt om gereedschap in mee te nemen en schoenen met ijzeren neuzen stonden te dringen bij de aanbieders van nieuwe materialen en technieken. Bij aanbieders van groene daken en groene gevels bijvoorbeeld. Bij bedrijven die muren van stro en leem kunnen neerzetten, die hartstikke solide en bovendien ademend blijken. Of die isolatiemateriaal maken van vlas, een plant die gewoon in Nederland groeit. Er stond een keuken gebouwd van gerecyclede materialen die ik meteen wilde hebben, zo mooi was ie.

Buiten zijn is meestal leuker dan binnen, maar als je dan toch binnen iets moet doen, is het een stuk leuker tussen de duurzame materialen dan in een sick building. Ik kan me dus goed vinden in de nieuwe slogan van de sector: ‘Het wordt weer leuk in de bouw.’ Wel heel stom dat er een simpel seksistisch filmpje gemaakt werd om dat te onderstrepen. Volgende keer beter, bouwsector!

http://www.bouwbeurs.nl

http://www.dakturf.com

http://www.kwartztop.com

http://www.bribus.nl

http://www.strawblockssystems.nl

http://www.isovlas.nl

http://www.comfort-company.nl