Een podium voor de Zaanse klok in het land van Albert Heijn

Museum Zaanse Tijd opende dit voorjaar een compleet vernieuwde presentatie van haar collectie Zaanse klokken. In een in 19e-eeuwse stijl ingerichte woonkamer komen ze beter tot hun recht dan ooit. Die aanpak reflecteert de missie van het museum: laten zien hoezeer de Zaanse klok verweven is met de industriële geschiedenis van de Zaanstreek.

De Zaanstreek was in de zestiende eeuw het allereerste industriegebied van Nederland. Het begon met het gebruik van de net uitgevonden molen met krukas, waarmee op grote schaal hout gezaagd kon worden. Al snel volgden honderden andere molens die de productie van bijvoorbeeld papier, verf, cacaopoeder en gepelde rijst mogelijk maakten.

Ook de Zaanse zakenman Kornelis Volger deed in papier en was eigenaar van een windmolen. Maar vermoedelijk had hij ook het vak van klokkenmaker geleerd. Volger bouwde de eerste Zaanse klok, bedoeld als huisuurwerk. Een relatief goedkoop model in een eenvoudige houten kast, waarin hij zijn technische kennis van molentechniek combineerde met het recent door Christiaan Huygens uitgevonden slingeruurwerk.

Het sloeg zo aan bij de burgerbevolking, dat een nieuwe Zaanse industrietak ontstond van seriematig geproduceerde klokken. Van 1670 tot 1750 was het in de Zaanstreek een bloeiende branche. In de loop der jaren werd het eenvoudige oermodel in steeds luxere varianten gemaakt, met duurder materiaal en uitbundige versiering. De opkomst van de Friese klok luidde het einde in van de populariteit.

Hernieuwde interesse

Maar aan het eind van de negentiende eeuw was er hernieuwde interesse in antiek en ambachtelijkheid. De Zaanse klokken, gemaakt naar voorbeeld van de oude modellen en nu voorzien van een houten puntdakje, deden het weer goed. En vlak na de tweede wereldoorlog was er nogmaals een enorme opleving in de vraag. Met honderdduizenden gingen de replica’s in binnen- en buitenland over de toonbank. Omdat de klokkenindustrie tegen die tijd uit de Zaanstreek verdwenen was, werden ze in allerlei andere Nederlandse plaatsen geproduceerd, van Schoonhoven tot Almelo. Op dit moment gaan veel oudere exemplaren naar de VS.

Twee mannen en de Zaanse Schans

Twee ondernemende Zaankanters staan aan de wieg van het huidige museum. Eerst was daar in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatselijk architect Jaap Schipper. Met lede ogen zag hij hoe in de omgeving steeds meer authentieke houten huizen verkrotten of werden gesloopt. Jaap begon die vervallen of in de weg staande panden op te kopen.

Hij zette ze bij elkaar op de Zaanse Schans en werd daarmee de grondlegger van het gelijknamige kunstmatige dorpje aan de rivier de Zaan. De Zaanse Schans is echter uitdrukkelijk geen openluchtmuseum. De huizen worden bewoond, de molens zijn in gebruik. Sommige bewoners verdienen de kost met kleine winkels, een kaasmakerij of horeca.

In 1976 werd het laatste huis geplaatst, een voormalige ondernemerswoning, met de uitdrukkelijke bedoeling er een museum van te maken. Zakenman Ber van der Molen, de tweede belangrijke man in dit verhaal, bracht zijn collectie klokken onder in de woning. Vanaf dat moment was dat het Museum van het Nederlandse Uurwerk.

Onvoldoende focus

Tien jaar later besloot Ber van der Molen echter zijn geld anders te gaan beleggen. Een schok in de Zaanstreek, en het startsein voor een grootscheepse inzamelingsactie. Met de opbrengst werd de collectie gekocht en ondergebracht in een stichting.

Hoewel de Zaanse Schans honderdduizenden toeristen uit de hele wereld trekt, stapten weinig mensen over de drempel van het museum Toen in 2015 ook nog de gemeentelijke subsidie ophield, besloot het bestuur dat het tijd werd voor een andere strategie. De huisvesting was prachtig, maar de collectie had onvoldoende focus. Een nieuwe aanpak moest vooral het verhaal over de geschiedenis van en het klokkenambacht in de Zaanstreek beter gaan vertellen. Daar hoorde om te beginnen een nieuwe naam bij.

Woonkamer

De presentatie in de woonkamer is het resultaat van de huidige focus. De wanden zijn authentiek Zaans roze geverfd. Voorheen verduisterde ramen laten weer licht binnen. Een gezellige eettafel met stoelen en een bos bloemen maken het huiselijk. Aan de wanden zijn alle mogelijke Zaanse klokken de blikvangers. Van het simpele oermodel tot steeds verfijnder exemplaren van edele houtsoorten en met signatuur. Elders in het museum is een aantal staande klokken uit de streek te zien, een collectie zakhorloges en natuurlijk de grote torenuurwerken. Maar er is geen twijfel mogelijk. Dit museum gaat over de Zaanse klok.

dav

 

Dit artikel verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

http://www.mnuurwerk.nl

Advertenties

De Gravin zoekt het zelf uit

Een opleiding tot handgraveur is er in Nederland niet meer. Gelukkig zijn er wel mensen als Cécile Oorthuis. Zó gegrepen door het vak, dat ze haar kennis op eigen houtje overal vandaan haalt en voortdurend verdiept. Tot vreugde van menig branchegenoot.

“Op mijn achttiende twijfelde ik tussen de Vakschool in Schoonhoven en het conservatorium in Amsterdam. Die twijfel was niet zo vreemd. Mijn ouders waren goudsmeden en hadden een winkel met sieraden en edelstenen. Wij kinderen waren als vanzelfsprekend bezig met edelstenen, met beitels, met stenen slijpen. Kortom, met allerlei fijn handwerk. Uiteindelijk koos ik toch voor de muziek en werd professioneel dwarsfluitiste. Ik speelde in een orkest, gaf les en vormde met een harpiste een duo, dat nu al vijfentwintig jaar optreedt.

Levendig

Het graveren kwam in 2010 op mijn pad toen een kennis vertelde dat ze in Schoonhoven een cursus handgraveren ging doen. ‘Jeetje, dat zou ook iets voor mij zijn,’ dacht ik meteen, en inderdaad had ik tijdens de basiscursus van tien avonden direct de smaak te pakken. Daarom deed ik bij Zadkine in Amsterdam een vervolgcursus. Dat er verder geen officiële opleiding meer is zag ik als kans, want er zijn weinig mensen die nog handgravures kunnen maken. Terwijl er ondanks computergestuurde- en lasertechnieken zeker vraag naar is. Omdat ze levendiger zijn en eeuwen meegaan. Al snel bedacht ik de bedrijfsnaam De Gravin. Dat klinkt aantrekkelijker dan het wat stijve graveuse.

Oefenen en internet

Het was en is vooral heel veel oefenen. Die zelfdiscipline ben ik als muzikant gewend, en ik vind het werk gewoon heel leuk. Verder ben ik ontzettend gaan snuffelen op internet. Er bleek heel veel zinnige informatie te vinden over het vak en vakgenoten. Zo bestudeerde ik het werk van vooral Amerikaanse master engravers. En ik stuitte op het bestaan van een pneumatische steker, die een eind zou moeten maken aan schouderklachten. Die had ik al snel, omdat ik zoveel oefende. Van een Haarlemse graveur die de Airgraver gebruikte mocht ik het apparaat lenen. Het werkte zo fijn, dat ik al na een dag besloot er zelf een aan te schaffen. Verder heb ik weinig contact met andere handgraveurs. Er zijn er ook niet zo veel. Hun aantal is bijna op de vingers van één hand te tellen.

Klantenkring overnemen

Eind 2013 wilde Herma Lancée haar graveerbedrijf hier in de buurt sluiten vanwege, inderdaad, een hardnekkige schouderblessure. Ze vroeg of ik haar klanten over wilde nemen. Ik ben met allemaal gaan kennismaken en ze wilden graag met mij verder. In januari 2014 werd De Gravin een officieel bedrijf. Mijn klantenkring bestaat voor ongeveer de helft uit juweliers. De andere helft zijn antiquairs, particulieren en organisaties die iets bijzonders willen.

Zweten

Veel mensen zijn de laatste jaren op zoek naar unieke ervaringen en authenticiteit. Ze houden van handgemaakte spullen, van persoonlijke cadeaus. Adellijke families hebben daar een langere traditie in. Ze komen bij mij voor het graveren van zegelringen en gebruiksvoorwerpen. Maar voor een andere particulier heb ik bijvoorbeeld een kindertekening op manchetknopen gegraveerd. Een antiquair heb ik geholpen bij de restauratie van een octant, een houten meetapparaat uit de scheepvaart. De graadverdeling moest gestoken worden op nieuwe ivoren plaatjes. Heel eervol is het graveren van de prijs voor de meest spraakmakende regisseur bij het Nederlands Film Festival in Utrecht. De moeilijkste klus tot nu toe was een tekst in een oester. Als je daar een stukje verkeerd wegsteekt is de schade onherstelbaar. Toen heb ik wel gezweet ja.

Sam Alfano

Tijdens mijn surfsessies op internet was me opgevallen dat vooral Amerikanen veel respect hebben voor ambachtslieden. Sam Alfano uit Louisiana is daar een meestergraveur met een grote naam. Hij bleek af en toe privéleerlingen aan te nemen. Het lukte me om er daar een van te zijn. Ik heb toen een week lang vooral technische lessen bij hem gevolgd. In shading, het mooi steken van schaduw, in sculpting, dat is heel veel materiaal weghalen tot er een reliëf blijft staan, in goud inleggen en in running leaf, een soort kettingdecoratie. Sam gaf me veel complimenten, dat was natuurlijk leuk. Al snel na mijn terugkomst was er een klant die zo’n running leaf op een stalen horlogekast wilde. Dat lukte!

Edelsteengraveren

Verder blijf ik me ontwikkelen door mezelf opdrachten te geven. Ik heb een begin gemaakt met edelsteengraveren. Vooral voor gebruik in zegelringen, met een familiewapen of monogram er in. Het is een heel andere techniek, waar ik me helemaal in vast ga bijten. Het mooie vind ik dat het ook een link heeft met thuis, met de edelstenen die ik elke dag in handen had bij mijn ouders. Ik krijg hulp van Henk de Groot, de laatste maar inmiddels gepensioneerde edelsteengraveur van Nederland, en veel juweliers geven me oefenstenen. Iedereen wil zó graag dat ik het ga doen. Want verder wordt edelsteengraveren vrijwel uitsluitend gedaan in Idar-Oberstein. Het is een potdichte wereld.

Erfgoed

Afgelopen jaar wilde ik mezelf toetsen aan de ballotagecommissie van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Zij nemen ook handgraveurs en diamantzetters op, maar hun lijst met technische voorwaarden is lang. Je moet je eigen gereedschap kunnen maken en allerlei graveertechnieken beheersen. Ik ben er trots op dat ik de toets doorstaan heb en nu lid ben van het Gilde. Dat er helemaal geen vakopleiding meer is was voor mij een kans, maar het blijft ook jammer. Handgraveren is toch bijna immaterieel erfgoed.”

https://degravin.jimdo.com/

 

Dit verhaal verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

Het meisje dat voorliep

In 1975 was Nellie Vliegenthart het enige meisje in de eerste klas van de opleiding horlogemaken aan de Rotterdamse Christiaan Huygensschool. Een positie waar ze even aan moest wennen. Dat duurde gelukkig maar kort. 44 jaar later geniet ze nog elke dag van haar vak.

“Open dagen op scholen waren midden jaren zeventig een onbekend fenomeen. Er was in het algemeen weinig informatie over wat opleidingen eigenlijk inhielden. Ik kwam op de Christiaan Huygens terecht door mijn oma, die ergens gehoord had over de horlogemakersafdeling daar. Dat leek haar wel iets voor mij, omdat ik goed was in wis- en natuurkunde en altijd zat te knutselen met hele kleine kraaltjes. Mijn moeder vond het een goed idee. Dat ik als zestienjarig meisje in Rotterdam naar school zou gaan en gewoon thuis blijven wonen was vanzelfsprekend. Zonder dat we gingen kijken gaf ze me op als leerling, en dat was dat.

Alle vakken leuk

De school was gevestigd in een flatgebouw aan de Benthemstraat, vlak bij het Hofplein. Het was een MTS met meerdere vakrichtingen in de precisiesfeer, zoals optiek en fijnmechanica. Bij horlogemaken vond ik alle vakken meteen leuk. Later kwam ik er achter dat er ook een MTS-opleiding in Schoonhoven en een horlogemakers-LTS in Hoorn waren, maar dat de Christiaan Huygens wel gezien werd als dé opleiding. In het begin vond ik het eng om het enige meisje te zijn tussen veertien jongens. Na een half jaar was dat wel over en voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam ook door meneer Kooregevel, een van mijn praktijkdocenten. Hij gaf me wat extra aandacht en mede daardoor groeide mijn zelfvertrouwen.

Ruige buurt

Tijdens mijn stage en de vier jaren erna deed ik veel verschillende ervaring op. Op mijn stageadres in Den Haag leerde ik zowel van de eigenaar van de juwelierszaak als van een collega-uurwerkmaker. Ik kreeg er meteen al dure merken als Alpina en IWC onder handen. Mijn eerste echte baan kwam, net als mijn beroepskeuze, zonder veel poespas tot stand. Op het raam van een winkel aan de Kruiskade, tot de dag van vandaag een behoorlijk ruige buurt in Rotterdam, hing een briefje: ‘Uurwerkmaker gezocht’. Ik liep naar binnen, had een kort gesprek en kon meteen beginnen. Omdat ik de enige uurwerkmaker was, moest ik vanaf dat moment alles zelf uitzoeken. Best pittig. Ik ben er weggegaan toen de verkoopster aan het eind van een zaterdagmiddag de zaak afsloot en mij, gewoon op die enge straat vol drugshandelaren, de sleutel gaf. ‘Doe jij maandag open?’, vroeg ze. ‘Want dan ben ik er niet.’ Die verantwoordelijkheid was me te groot, ik was pas twintig. Dus heb ik mijn ontslag genomen. Niks opzegtermijn of contractgedoe. Het is wel grappig hoe eenvoudig dat toen nog was.

Een officieel bedrijf

Bij een reparatiewerkplaats voor juweliers waar ik vervolgens in dienst kwam, was ik veel beter op mijn plek. Ik had vijf collega’s, het was gezellig, we leerden van elkaar. Ik bleef er tot mijn eerste zwangerschap. Toen verhuisde ik naar Capelle aan den IJssel en deed voortaan aan huis opdrachten voor familie en vrienden. Zodra mijn jongste kind naar de basisschool ging, had ik weer meer tijd om te werken. Een juwelier met twee zaken vroeg of ik zijn reparaties wilde doen. Daarmee had ik een officiële klant. Met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel begon ik daarom ook een officieel bedrijf. Al snel volgden meer juweliers in de omgeving van Capelle en Rotterdam en deed ik reparaties voor Seiko. Dit jaar vier ik mijn zilveren bedrijfsjubileum!

Openmaken

Bijblijven op mijn vakgebied doe ik door gewoon door te gaan. Iets open durven maken en bij twijfel de volgorde fotograferen waarin ik het uurwerk uit elkaar haal. Verder ben ik lid van het Uurwerkherstellersforum online. Een plek waar vakgenoten elkaar vragen stellen of ze beantwoorden, en elkaar helpen aan oudere onderdelen. Ik ben trouwens om een andere reden toch nog in Schoonhoven terecht gekomen. Het leek me leuk om ook te kunnen goudsmeden. Daarom heb ik avondcursussen gedaan. Eerst op de Vakschool met dertig medeleerlingen, later in een veel kleinere groep in de werkplaats van edelsmid Ad Brandenburg. Alles bij elkaar wel negen jaar. De kennis van edelmetalen en bewerkingstechnieken komt soms nog van pas bij het restaureren van klokken.

Particuliere liefhebbers

Net zoals bij andere ondernemers zijn er drukke en stillere tijden. De crisis die in 2008 losbarstte voel ik zelfs nu nog. Wat jammer is, en dat zeggen natuurlijk meer collega’s, is dat veel merken reparaties naar zich toetrekken en geen onderdelen meer leveren. Wij hebben daardoor minder te doen en de consument is duurder uit. Bovendien zijn veel horloges duurder om te repareren dan om nieuw aan te schaffen. Of mensen lezen de tijd op hun telefoon. Particuliere liefhebbers van mechanische horloges komen gelukkig nog wel voor reparaties. Zelfs vanuit noordelijk Noord-Holland komen ze naar me toe, dankzij mond-tot-mond reclame. Dat blijft toch de beste aanbeveling. Verder knap ik klokken op die mensen niet meer willen hebben. Daarna verkoop ik ze.

Torenuurwerk

Ik had ook automonteur kunnen worden zoals mijn vader. Daarin is altijd werk. Maar ik vind dit mooi. En als er iets bijzonders op mijn pad komt, dan graag. Ik zou nog wel eens een torenuurwerk willen doen. Veel groter werken, met andere machines en met vakgenoten, want zoiets kan je niet alleen. Ik ben trots op wat ik doe, ik ga er zo lang mogelijk mee door. Mijn kinderen plagen me weleens. Dan zeggen ze: ‘Jij stopt pas met klokkenmaken als je de kist ingaat.’ “

 

www.uurwerk-techniek.nl

https://www.vakschoolschoonhoven.nl/Studeren/Studiewijzer/uurwerkhersteller%20branche-erkende%20opleiding.aspx

Dit verhaal verscheen in het vakblad Edelmetaal, editie Maart 2019

 

 

De waarde van al wat tikt

‘Heel veel’ vervalsingen krijgt hij onder ogen. Meestal heeft hij het snel door, maar soms is een kopie zo goed dat zelfs hij twee keer moet kijken. Uurwerktaxateur Antoon Gaemers over techniek, kwaliteit en, vooral, emotie.

“Nederlandse juweliers die een Rolex aangeboden krijgen, bellen me geregeld voor een verificatie. Als er een ETA-uurwerk in zit ben ik kort: dan is het geen Rolex. Al kan het best een goed horloge zijn. Een zelfde reactie krijgt Justitie wanneer die in het kader van de Pluk ze!-maatregel een gouden Rolexkast laat taxeren. Als het origineel tachtig gram moet wegen en het is maar veertig gram, weet ik het al. Vervalsingen zijn aan nog veel meer te herkennen. Aan de wijzerplaat, het type schroefjes, het materiaal, de vertanding van het raderwerk. Maar sommige met nieuwe lasertechnieken gemaakte imitaties zijn steeds lastiger te onderscheiden van het hoogwaardige product. Zo nu en dan moet ik echt twee keer kijken.

Stijl versus techniek
Ik roep altijd: ‘Een goede taxateur moet eerst uurwerkmaker zijn.’ Je moet met klokken beginnen en bij horloges eindigen, zodat je al die verschillende mechanieken in handen hebt gehad. Opengemaakt, gezien, gerestaureerd. Daarom probeer ik eersteklas uurwerkmakers te stimuleren ook taxateur te worden. Het is zo’n interessant en breed terrein. Je moet natuurlijk om te beginnen technische kennis hebben. Liefst vanaf de zonnewijzer, en minimaal vanaf het eerste slingeruurwerk van Christiaan Huijgens in de zeventiende eeuw. Er hoort flink wat stijlkennis bij. Is een klok of horloge uit de empiretijd? Louis XVI? Art Déco? Bij de waardebepaling kan de stijl soms belangrijker zijn dan de kwaliteit van het uurwerk. Je moet ook de geschiedenis van klokkenmakers en fabrikanten kennen. Daar zijn gelukkig veel boeken over. Onder andere Patek Philippe, Jaeger Le Coultre en Rolex hebben hun eigen producten goed gedocumenteerd.

1952
Ik ben registertaxateur, gecertificeerd door de Vereniging van Taxateurs, Makelaars en Veilinghouders. Elk jaar moet ik laten zien dat ik bijblijf. Daar krijg ik punten voor, en de certificering wordt iedere vijf jaar herzien. In Nederland is nog een andere opleiding: Taxeren van Juweliersartikelen van na 1952. Die grensdatum wordt gehanteerd, omdat vanaf die tijd de betere horlogemerken goed zijn gaan documenteren. Hooguit tien collega’s combineren dat diploma met een eigen winkel. Door hun praktijkervaring hebben ze overigens dikwijls ook veel kennis van horloges van vóór 1952. Ze overleggen vaak met elkaar. Dat vind ik verstandig, want samen weet je meer. Ik ben de vierde generatie van een uurwerkmakersfamilie en opgegroeid in de werkplaats, maar ook ik weet nog steeds niet alles.

ETA in plaats van Patek
Een taxatie begint met het bepalen van de constructie van het uurwerk. Is het een cylinder, een spillegang, een Zwitserse ankergang? Daarna bekijk ik de kast. Als hij van edelmetaal is moeten de keurtekens kloppen. De wijzerplaat is ook van grote invloed op de waarde. Hij kan op veel manieren gemaakt en versierd zijn. Geëmailleerd, geguillocheerd, gedrukt. De wijzerplaten van oudere Patek Philippes zijn geblauwd met olie en warmte. Door het verstrijken van de tijd worden ze bruin. Zo’n model brengt meer op dan een later exemplaar dat gekleurd is met lak op waterbasis. De wijzerplaten horen met pennetjes bevestigd te zijn aan het uurwerk. Je ziet vaak dat die pennetjes zijn afgeknipt, en dat het originele uurwerk vervangen is door een standaard exemplaar. Dan kan je zomaar een Patek Philippe hebben met een ETA kwartsuurwerkje erin. En opeens is zo’n horloge nog maar € 1000,- waard, in plaats van € 10.000,-.

Firmanaam
Zeldzaamheid is van grote invloed op de waarde. Topmerken geven hun horloges kaliber- en serienummers. Bij prijzen boven de € 15.000,- worden die nummers bepalend, omdat er van de ene serie honderd zijn gemaakt, van de andere misschien wel duizend. Zelfs de band weegt mee in de waardebepaling. Voor 1952 werden horloges vaak verkocht aan goudfirma’s, die er zelf een gouden band aan monteerden. Het was ook niet ongewoon dat de juwelier er zijn eigen naam op zette. Wat zeker niet wil zeggen dat dat slecht is. Het maakt horloges zoals Rolex by Gublin of Patek by Tiffany uniek en soms wel € 20.000,- meer waard. Fabrieken vonden het ook geen enkel punt. Voor goede klanten deden ze dat graag. Hun naam was minder belangrijk – voor het publiek was de juwelier de belangrijke man. Tegenwoordig is het net andersom.

Geliefd
De meest geliefde horloges op dit moment zijn Pateks, oude Heuers, originele Breguets en de Jaeger Le Coultre Reverso. En Rolex natuurlijk, dat nooit gestopt is met het maken van het model Oyster Perpetual, een mechanisch horloge. Een gecompliceerd uurwerk mag wat kosten, maar slecht onderhoud doet enorm afbreuk aan de waarde. Een gouden JLC Monovox uit de jaren zestig die toen fl. 300,- kostte, brengt nu op zijn sloffen € 5000,- op. Maar alleen mits goed onderhouden.

Goud en staal
Veel van mijn klanten zijn particulieren. Ze willen taxatie van een erfstuk, of hertaxatie voor een verzekering. Ze hebben soms een weinig realistisch beeld van de waarde. Een Breguet die niet door hem zelf is gesigneerd brengt bijvoorbeeld niet zo veel op. Het gebeurt ook dat ik mensen totaal kan verrassen. Zoals een familie met vier Patek Philippe Calatrava’s, een standaard zakhorloge. Drie waren van goud, een was van staal. Het gouden exemplaar taxeerde ik op een bedrag tussen de €3000,- en €4000,-. Ze verwachtten dat het stalen model dus minder waard zou zijn. Maar daar waren er maar 44 van gemaakt! Het was met een geschatte waarde tussen de € 20.000,- en € 30.000,- veel waardevoller dan de gouden horloges.

Je zou kunnen anticiperen op zo´n verwachting en een goede slag slaan, maar ik vind ethiek in dit vak belangrijk. Klanten moeten je kunnen vertrouwen. De gesprekken met hen vind ik altijd heel leuk. Ik vertel zoveel mogelijk, want een horloge is voor de klant vaak emotie. Dat is ook voor mij uiteindelijk het belangrijkste. Iets wat mooi is, hoeft niet altijd economische waarde te hebben.”

https://gaemers.nl/

https://www.patek.com/en/home

https://www.chrono24.nl/breguet/index.htm

https://www.jaeger-lecoultre.com/eu/en/home-page.html

https://www.rolex.com/

  

 

Dit artikel verscheen in magazine Horloges/0024, editie 68

Het nieuwe weggooien

Opeens zag ik ze staan: een hele toom eenden, even sterk als twee paarden. In zo’n metalen diertje maakte ik als achttienjarige mijn eerste buitenlandse reis, helemaal naar Zuid-Frankrijk.

Opgegroeid in een autoloos gezin, met een vader die vakanties oninteressant vond, was die reis met twee studiegenoten voor mij één groot feest. Voor het eerst van mijn leven zag ik echte bergen, kampeerde naast ijskoude rivieren en voelde hoe heet de mediterrane zon is. Als ik op de achterbank van de rode Deux Chevaux zat, scheen hij door het opgerolde stoffen dak vol in mijn gezicht. Diezelfde achterbank was bovendien heel gemakkelijk uit de wagen te halen. Dan stond naast de tent opeens een bankje, waarop we ons al sjekkies rokend en vin du patron drinkend verbaasden over de eigenaardige gewoontes van de Fransen.

In de decennia erna kwamen honderden, nee duizenden automodellen op de markt. Steeds comfortabeler, met steeds meer snufjes, en de laatste jaren ook steeds duurzamer door een almaar dalend brandstofverbruik, doordat ze elektrisch rijden of doordat ze vergaand demontabel zijn. Ook een soort feest.

Lelijke eenden zie je echter nauwelijks meer. Raar eigenlijk, want ze waren al extreem duurzaam voor het een groen begrip werd. Simpel te demonteren voor hergebruik van materialen en onderdelen. Met een begrijpelijke, mechanische motor, waarin je zelfs als leek gemakkelijk een bougie, accu of V-snaar kon verwisselen. En een heel bescheiden brandstofverbruik van pakweg 1 op 20.

Maar laatst zag ik ze toch weer. Een heel stel eenden stond zomaar in een weiland. Waarschijnlijk nog net zo oncomfortabel als toen vanwege de beroerde vering. Tachtig per uur rijden geeft in een lelijke eend al een sensatie van ongekende snelheid. Een ervaring biedend die de soepele, stille hedendaagse automobiel niet biedt.

Hun bijzondere uiterlijk had het blijkbaar de moeite waard gemaakt de wagens goed te onderhouden. Ze zaten mooi in de lak. Tot mijn ontroering had een ervan zelfs een heel bijdetijds zonnepaneel op het dak. De lelijke eenden worden gebruikt voor nostalgische bedrijfsuitjes en hebben dus zelfs nog economische waarde.

Daarom zeg ik: eigenzinnige vormgeving, dat betaalt zich altijd uit. Combineer het met goed onderhoud, et voilà: daar heb je het nieuwe weggooien.

Lelijke eend

http://duckcity.nl/

http://www.ducktrail.nl/lelijke-eend-huren-zuid-holland/

http://www.telegraaf.nl/autovisie/oldtimer/onder-de-hamer/24807589/__Onder_de_hamer__Peperdure__lelijke_eend___.html

http://www.eendexperience.nl/

http://www.model-space.be/be/auto/2cv-home/index.php

http://www.garageruimzicht.nl/lelijke-eend-huren

http://www.2cvgarage.nl/

 

Zelluf doen!!

..zegt ieder kind op een gegeven moment. Als het om lopen of praten of tabletbedienen gaat mag het dat. Maar verder zijn veel kinderen en ook volwassenen niet meer zo zelfredzaam. Een vuurtje stoken, een schoen verzolen, een kapotte fiets fiksen, wie kan dat nog? We zijn een beetje gedegenereerd. Wij kunnen niet meer zoveel zelf. En we voelen het gemis. Gelukkig is zelf maken bezig aan een terugkeer.

Massaproductie heeft ons leven een stuk comfortabeler gemaakt. Van iets alledaags als zeep die je niet meer zelf hoeft te zieden, tot het gemak van licht na het omzetten van een schakelaar, eten halen bij een winkel en wasmachines waar je desnoods elke dag je lakens in kunt stoppen.

Zelfs een koning had in de middeleeuwen minder comfort dan de eerste de beste Nederlander vandaag de dag. Hij woonde in koude en tochtige kastelen, droeg kleding die zelden gewassen werd, bracht avonden door bij het licht van roetende fakkels en sliep op matrassen vol ongedierte.

Wat de middeleeuwer wél had, was maatwerk. Balen omdat je met je lange benen, brede heupen of grote voeten in geen enkele confectie paste was niet nodig, want confectie bestond gewoon nog niet. Timmerlieden en smeden maakten hun eigen gereedschap, passend bij hun postuur. En het lijkt me aannemelijk dat ook harnassen volledig aangepast waren aan de drager.

De jonge Ierse Jane met de onuitspreekbare achternaam ni Dhulchaointigh (ik verzin dit niet) maakt het met haar uitvinding Sugru mogelijk massaproducten en maatwerk te combineren. Sugru is een soort kneedgum dat met de hand te vormen is bij kamertemperatuur, maar binnen 24 uur uithardt tot een flexibel materiaal dat water-, kou- en hittebestendig is. Het blijft muurvast zitten op metalen, glas, keramiek, hout en kunststoffen.

Wat je ermee kunt? Schoenen, autoleidingen en wasmachineonderdelen repareren, skistokken of roeipeddels aanpassen aan de vorm van je handen, stootkussens maken om je camera, smart phone of afstandsbediening, of glow in the dark tentharingen. Om maar een paar voorbeelden te noemen. Het hele idee achter de ontwikkeling van Sugru was dat bijna iedereen het fijn vindt als hij/zij dierbare bezittingen kan repareren, verbeteren of personaliseren, in plaats van ze weg te gooien. Het slaat aan, want Sugru wordt op alle continenten gebruikt voor de meest uiteenlopende toepassingen.

Op de site van Sugru (geïnspireerd op het Ierse woord voor spel) staan honderden voorbeelden van wat enthousiaste gebruikers tot nu met het materiaal gedaan hebben. Sommige ideeën waren zelfs zo goed, dat er instructiefilmpjes gemaakt zijn zodat anderen hetzelfde kunnen doen. Zoals het filmpje met de fotocamera, die dankzij allerlei stootranden de omgang met jonge kinderen overleeft.

De site van Sugru is een feest van speelsheid en inspiratie. Ga eens kijken, zou ik zeggen. Wil je het zelf hebben, dan kun je via de website bestellen. De pakjes Sugru, verkrijgbaar in meerdere kleuren, worden tegen kostprijs verstuurd naar Nederland.

       www. sugru.com