Een wondertje op kleine schaal

Cartier Tank dameshorloge

Cartier Tank dameshorloge  

Jacco Reversma (Spiegelgrachtjuweliers Amsterdam): “De vraag naar vintage horloges stijgt al jaren. Mensen houden van historie, van authenticiteit, van horloges met een verhaal. Vintage en occasions hebben zo’n verhaal automatisch. Met leeftijd heeft dat niet per se iets te maken. Soms is het gekoppeld aan een persoonlijkheid, zoals de Rolex Daytona die dankzij Paul Newman wereldfaam kreeg. Het kan een gebeurtenis zijn, denk aan de Omega Speedmaster die mee mocht op de eerste maanreis. Of een in zijn tijd nieuwe complicatie. En daarbij heb je de ontzettend gave techniek van mechanische horloges. In essentie is de slingerbeweging dezelfde als in grote uurwerken. Een wondertje dat het werkt op die kleine schaal.

Vrouwelijke clientèle

Het verschil tussen vintage en occasion is een grijs gebied. In principe is natuurlijk elk gebruikt horloge een occasion. Vanaf vijftien jaar noemen we het jong gebruikt. Vintage is meestal mechanisch, maar ook quartz hoort er bij. Zeker de vrouwelijke clientèle, zo’n vijfendertig procent, vindt quartz vaak prima. Voor hen zijn er bijvoorbeeld Cartiers en dames-Rolexen.

Mysterie

We doen alleen in vintage polshorloges die niet meer gemaakt worden, van gerenommeerde merken. Altijd gewild is Rolex. Enorm goed geconstrueerde horloges, waarbij de vraag naar nieuwe modellen standaard groter is dan het aanbod. Wat Rolex nog meer aantrekkelijk maakt is het mysterie rond het merk. Ten eerste is het een stichting, die bovendien geen historische informatie geeft over hun modellen. Geïnteresseerden moeten die bij elkaar sprokkelen bij andere partijen en daarom kan de informatie nooit honderd procent accuraat zijn. Ten tweede is Rolex natuurlijk een statussymbool.

Liefhebbers

Ook geliefd in de hogere prijsregionen zijn de Patek Philippe horloges. Ze zijn bijna altijd gemaakt van edelmetaal, met uurwerken van eigen makelij, in een klassieke vormgeving. Het bedrijf is in tegenstelling tot Rolex juist heel open in het beschikbaar stellen van relevante en nuttige informatie over vroegere modellen. Patek’s zijn echt horloges voor liefhebbers. Net zoals bijvoorbeeld de Omega Speedmaster, ook wel bekend als ‘The Moonwatch’.

Investering

Heel vaak vragen klanten naar de zin van het horloge als investering. Wij kunnen natuurlijk niet in de toekomst kijken en voorspellen welk merk en type gegarandeerd meer waard worden. Over het algemeen gaat daar tijd overheen. Occasions zijn vaak wat goedkoper dan een nieuw horloge. Voor vintage geldt dat niet. Vanaf een leeftijd van veertig jaar zijn ze meestal veel duurder dan in de tijd dat ze op de markt kwamen. Een edelmetalen kast of gesp heeft invloed op de nieuwprijs, maar niet noodzakelijkerwijs op de prijs van een vintage horloge. Het zit eerder in de oplage en daarmee in de zeldzaamheid. Tot de verbeelding sprekend is wederom de Daytona. In de jaren zestig had die een nieuwprijs van 300 dollar. Nu gaat hij voor 50.000 dollar of meer over de toonbank.

Dozensnuiver

Nep is soms alleen te herkennen aan de binnenkant. We onderzoeken eerst of het uurwerk goed en echt is en of verpakking en garantiecertificaat origineel zijn. Behalve de kwaliteit van de materialen en corresponderende nummers op horloge en garantiebewijs, is geur daarbij essentieel. Mijn collega’s noemen me gekscherend de dozensnuiver: ik ben gek op de geur van oud papier en verpakkingen en kan letterlijk ruiken of ze authentiek zijn.

Glimlach

Voordat een horloge de winkel ingaat en op de website wordt geplaatst, worden versleten onderdelen vervangen. Het uurwerk wordt schoongemaakt, geolied, gemonteerd en getest. Het moet naar behoren functioneren, passend bij de leeftijd. Ik hoop dat onze klanten ook komen voor onze verhalen, dat ze die waarderen. Het belangrijkste is altijd: Wat brengt een glimlach op het gezicht? ”

O   Omega Speedmaster 1962

http://www.spiegelgrachtjuweliers.nl

https://www.omegawatches.com/watches/speedmaster/moonwatch/professional/product

https://www.rolex.com/nl/watches/cosmograph-daytona.html

https://www.patek.com/en/home

Dit is een ingekorte versie van een verhaal dat verscheen in Horloges/0024, editie zomer 2020

Zilversmid Karel Schermerhorn streeft naar handgemaakte perfectie

HZS is een van de laatste ambachtelijke zilversmederijen van Nederland. Karel Schermerhorn werd in 1998 eigenaar, maar het Haarlemse bedrijf zelf bestaat al een eeuw. Karel streeft naar handgemaakte perfectie.

“Na de opleiding in Schoonhoven heb ik nooit meer iets aan goudsmeden gedaan. Ik vond zilversmeden zóveel leuker!”, vertelt Karel. “In die hoedanigheid werkte ik een jaar of tien in loondienst, tot ik George Presburg leerde kennen, eigenaar van de Haarlemsche Zilversmederij. Bij hem werden ambachtelijke producten gemaakt, maar vanwege zijn leeftijd wilde hij de zaak graag verkopen. In 1998 nam ik het bedrijf over, inclusief allround zilversmid Lex Baartse. Lex is uiteindelijk bijna zestig jaar bij HZS in dienst geweest.”

Groei en bloei

Arnold Presburg en Arie Hoogteyling begonnen de Haarlemsche Zilversmederij in 1919. Ze maakten zilverwerk voor voornamelijk huishoudelijk gebruik, zoals broodmanden, dienbladen, koektrommels, kandelaars en peper- en zoutstellen. Vanaf 1932 ging Arnold alleen verder. Het bedrijf bloeide in de jaren vijftig en zestig, toen de Nederlandse bevolking na de karige oorlogstijd eindelijk weer geld had en het graag spendeerde aan mooie spullen. HZS had in die tijd maar liefst zestien werknemers. In 1971 kwam zoon George Presburg aan het roer. In latere decennia ging menig groter bedrijf over de kop. HZS bleef, zij het op kleinere schaal, overeind.

Perfectie

Bij de overname koos Karel voor drie strategische speerpunten. Het eerste was de kwaliteit van de producten. Die was goed, maar hij vond dat het tot in detail perfect moest zijn. Dus nooit een dienblad waarvan de bodem niet honderd procent strak was, of een parelrand die eindigde in een halve parel. Waardoor klanten gingen zeggen: “Handgemaakt? Da’s knap!” Tweede speerpunt was het opnieuw aanbieden van oudere productmodellen. Sommige werden op dat moment al twintig jaar niet meer gemaakt, maar alle mallen lagen er nog. Veel klanten waren blij dat ze weer in productie genomen werden.”

Restauratie en reparatie

Het derde en inmiddels belangrijkste speerpunt is restauratie en reparatie. Restauratie van voornamelijk 17e– en 18e-eeuws zilverwerk, vervaardigd door leden van de in die tijd zeer machtige gildes, en reparatie van occasions, die ingebracht worden door handelaren of verzamelaars. Karel: “Omdat we zoveel kunnen maken, kunnen we ook heel veel restaureren”. Zijn keuze voor dat laatste specialisme is een goede gebleken. HZS werkt nu voornamelijk voor antiquairs, handelaren, particulieren, musea, kerken en synagogen.

Mysterie

Afgelopen november kreeg HZS het predicaat Hofleverancier. Daarvoor hoef je niet per se iets voor het hof gedaan te hebben, al is dat bij HZS wel het geval. Zo werden in de Presburgtijd HZS-producten bij staatsbezoeken meegenomen als relatiegeschenk. Een bedrijf kan het predicaat aanvragen bij het honderdjarig bestaan. “Waaróm je het uiteindelijk krijgt is een mysterie”, zegt Karel. “Je moet iets toevoegen aan de samenleving, aan de branche en aan je buurt. De redenen waarom je aan die eisen voldoet krijg je niet te horen. Hoe dan ook is de toekenning een leuke ode aan het bedrijf.”

Zestig jaar zilversmid

Lex Baartse heeft als zilversmid in belangrijke mate bijgedragen aan het succes van HZS. Als veertienjarige kwam hij letterlijk in zijn korte broek het bedrijf binnen. De oudere zilversmeden leerden hem het vak, en naarmate hun aantal afnam kreeg hij steeds meer taken. Lex deelde op zijn beurt zijn kennis met Karel toen die het bedrijf overnam. Pas op zijn 74ste ging hij, na een dienstverband van bijna zestig jaar, met pensioen.

Openheid

Karel heeft geen vaste medewerkers meer, maar geregeld deelt hij zijn ruime werkplaats met jonge vakgenoten, stagiairs en antiquairs. Soms ook met particulieren die aan hun eigen projecten willen werken. “Door me open te stellen voor andere mensen en disciplines blijf ik doorleren. Ik ben technisch creatief: ontwerpen creëren uit het niets kan ik niet, maar wat me aangereikt wordt kan ik maken. En wat anderen beter kunnen, zoals laserlassen of handgraveren, laat ik graag door anderen doen.”

www.haarlemschezilversmederij.nl

Dit verhaal verscheen in langere vorm in vakblad Edelmetaal, editie april 2020

Foto’s: Maurits van Hout http://www.mauritsvanhout.nl

De klok van één miljoen

Het vrolijkste museum van Nederland is volgens huisuurwerkmaker Erwin Roubal ook het meest technische museum. In een enorme eigen werkplaats worden zelfspelende muziekinstrumenten, zoals orgelklokken en draaiorgels, met soms zeer grote tijdsinspanning teruggebracht in hun oorspronkelijke staat.

De brede gang naar de werkplaatsen alleen is al elf meter lang en heeft een marmeren vloer. De hoge hal waar hij op uitkomt is groot genoeg om draaiorgels te repareren, en zelfs voor een kleine heftruck om de grote gevaartes te verplaatsen. Er is een ruime werkplaats voor de uurwerkmakers, een ruimte met draaibanken, een houtwerkplaats en een kantoor. Dolblij is het Utrechtse Museum van Speelklok tot Pierement met dit ruime pand in de oude binnenstad, een schenking van een oudere dame die vele jaren boven de huidige werkplaats woonde. Na een verbouwing  is het een walhalla geworden voor de restaurateurs van het museum.

Klok van één miljoen

Hun meest recente grote project was de restauratie van de Clay-klok, een gigantische orgelklok uit de 18e eeuw. Een prestigieus project, dat aanleiding was voor veel nationale en internationale publiciteit. Museum Speelklok, dat zich het vrolijkste museum van Nederland noemt, had de Clay-klok al eens in bruikleen voor een tentoonstelling in 2006. “Het pijpwerk was toen nog in betere staat. Sindsdien heeft iemand, niet gehinderd door enige kennis, alle pijpen van een register afgezaagd”, vertelt Erwin Roubal, die verantwoordelijk was voor de restauratie van het uurwerk. In 2016 kocht Speelklok de ruim tweeëneenhalve meter hoge klok op een Parijse veiling voor in totaal één miljoen Euro. De houten kast werd hersteld door het Rijksmuseum. De uurwerkmakers en orgelbouwers van Speelklok waren verspreid over een periode van drie jaar bezig met de restauratie van het mechanische deel.

Klokken uit de Verboden Stad

Erwin: “Het uurwerk was nog best goed, maar veel tandwielen waren verbogen, rondsels versleten en er waren verminkingen op de uurwerkplatines. De opwindgaten waren dichtgeklonken, en zo waren er nog meer reparaties te doen. Ik ben natuurlijk trots dat we de Clayklok weer werkend en in uitstekende staat kunnen presenteren, maar eerlijk gezegd heb ik hier wel moeilijker, knapper dingen gedaan, zoals het restaureren van klokken uit de Verboden Stad in Beijing. Speciaal voor die klus kreeg ik in 2008 een driejarig contract bij Speelklok. Daarna mocht ik blijven.”

Zelf gereedschap maken

“Wat het werk hier zo anders maakt, is de tijd die we krijgen om dingen weer helemaal goed te krijgen. Het museum gaat niet over uurwerken, maar over uurwerkmakersconstructies en tandwielen. Die kennis heb je nodig bij het repareren van mechanische muziekinstrumenten. Daar zitten ook onderdelen in die je in klokken niet tegenkomt. Bijvoorbeeld een wormwieloverbrenging, een tandwiel dat geen rondsel aandrijft, maar een schroef. Het is een eeuwenoud mechaniek dat snel slijt. Het gereedschap om een nieuw te kunnen maken bestaat niet meer. De benodigde beitels, frezen en hulpstukken maken we daarom zelf.”

Muziekcylinders

“We bouwen ook muziekcylinders die in carillonklokken zitten. Er zijn geen wetten die je precies vertellen wat je moet doen om de muziek zo zuiver mogelijk te laten klinken. Meestal kiezen we met zijn tweeën uit hoe je de gaatjes in de cylinder moet boren. De bank waarmee je dat doet maken we zelf. Ook bouwen we wel eens een werkend model op kleinere schaal voor in de techniekzaal, want het museum wil uitdrukkelijk laten zien hoe iets ooit technisch gewerkt heeft. Ik vind het leuk me daar voor in te zetten en let erop dat de modellen hufter- én kinderproof zijn. Want kinderen gaan overal aan hangen en klimmen overal in.”

Gek van techniek

“Als uurwerkmaker alleen krijg je dat allemaal nooit voor elkaar. In deze werkplaats zijn we met best veel mensen. Drie uurwerkmakers,  drie orgelbouwers en drie kantoormedewerkers. Alles wat wij als uurwerkmakers doen stemmen we af met de orgelrestaurateurs. Dan gebeurt het gerust eens dat we zeggen: ‘Mijn mechaniek is goed, maar jouw balg is te stug.’ Of dat zij met een heel mooie oplossing komen waar wij zelf nog niet aan gedacht hadden. Voor ik hier begon was ik bij verschillende bedrijven het enige personeelslid, een soort zelfstandige. Hier zijn we een team van mensen die allemaal gek zijn van techniek en graag nadenken over de vraag: ‘Hoe deden ze dat vroeger?’ Dat houdt het werk leuk en vers.”

http://www.museumspeelklok.nl

http://www.draaiorgelmuseum.org/achtergrond/historie

http://www.pianola.nl/Pianola_Museum/Dietrich_Nikolaus_Winkel.html

Klik om toegang te krijgen tot 2007_3_dansen.pdf

Handgemaakte horloges

   

De afgelopen tien jaar bouwde Willem van den Berg elk jaar een nieuw horloge. Soms in een kleine oplage van maximaal tien stuks, soms zelfs unieke exemplaren. Vrijwel altijd in samenwerking met de allerbeste edelsmeden, graveurs, zetters en emailleurs.

Decennia lang restaureerde Willem van den Berg antieke klokken en horloges, maar sinds 2006 legt hij zich toe op het bouwen van zijn eigen merk ambachtelijk gemaakte horloges in beperkte oplage. Waar hij emotie in kan leggen en verhalen mee kan vertellen.

Skyline

Hij begon met een handgemaakt Skyline-horloge. In een door hem zelf ontworpen gouden kast bouwde hij een automatisch uurwerk in. Aan de achterzijde is de skyline van ‘s-Hertogenbosch te zien, met rechts het provinciehuis en links de Sint-Jan’s basiliek. De Bossche draak, het symbool van de stad, werd als rotor ingebouwd. Daarna volgde een model met de skyline van Rotterdam.

Uitbundige barok

Vervolgens vroeg Willem zich af wat hij zelf nog meer mooi vond. Hij kwam uit bij de uitbundige barok van 17e en 18e-eeuwse Engelse horloges, waarin vaak de techniek van champlevé emaille (een gravure of ets, gevuld met emaille) werd toegepast. Het werd zijn focus in een tijd dat minimalisme de trend was.

Symboliek

Ieder model zit vol symbolen en verwijzingen, gemaakt met een grote variatie aan technieken. In de loop der jaren heeft Willem zich zelf bijgeschoold op het gebied van goudsmeden en graveren, maar hij maakt daarnaast veel gebruik van de diensten van de beste edelsmeden, graveurs, zetters en emailleurs. De meesten zijn lid van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Wie daar toegelaten wil worden, moet aan heel hoge eisen voldoen.

Van Gogh en Jeroen Bosch

In de Vincent van Gogh bijvoorbeeld, schilderde emailleur Jos van Houbraken op de verenstalen dagschijf in miniformaat fragmenten van zeven van Van Gogh’s bekendste werken. Verborgen in de kast zit een heel klein beetje grond uit de tuin van Van Gogh’s geboortehuis. In het Jeroen Bosch-horloge zijn gravures te zien van Bosch’ tekeningen. De wijzers hebben de vorm van veren. De secondewijzer is zelfs een minuscuul echt veertje.

Horloge voor Olympisch schermer

Momenteel werkt Willem aan een horloge met als thema WOII. En onlangs kwam een uniek horloge af voor Bas Verwijlen, de Nederlandse schermer die drie keer meedeed aan de Olympische Spelen. Het zit vol met persoonlijke en Olympische verwijzingen, zoals een floret op de zijkant van de kast, en op de rotor gezaagde en gegraveerde symbolen van de drie steden waar Verwijlen meedeed aan de Olympische Spelen. Op een ervan, de Londense Big Ben, staat het torenuurwerk vast op het geboortetijdstip van Verwijlen’s dochter.

Brede blik

Willem kan al die bijzondere horloges realiseren dankzij de hulp van de edelsmeden, graveurs en emailleurs van het NGG. Hij is er ontzettend blij mee. “ Het is geweldig om samen te werken met de allerbeste vakmensen. Door wat zij kunnen in technisch en artistiek opzicht, kan ik mijn blik verbreden over wat mogelijk is.”

www.vandenbergwatches.com

http://www.meestergoudsmeden.nl

Dit verhaal verscheen als onderdeel van een groter artikel in het blad Horloges 0024, editie winter 2019/voorjaar 2020

Oud ijzer, Tata Steel en torenklokliefhebbers

Bakens in het vlakke Nederlandse land zijn het: kerktorens en hun klokken. Maar de dikwijls eeuwenoude mechanische uurwerken werden na WOII steeds vaker vervangen door punctuele elektrische modellen. Heel jammer, vond een groep techneuten bij staalbedrijf Hoogovens, en begon in zijn vrije tijd torenuurwerken te repareren.

“Een tijdlang gebruikten we een lokaal van een leegstaande school in IJmuiden als opslagplaats voor oude torenuurwerken,” vertelt vrijwilliger Nico Kroese. “Zonder dat we het wisten werd de school gesloopt en waren de uurwerken als oud ijzer op straat gegooid. We hebben er één kunnen redden. Het hele mechaniek was getordeerd, maar wij hebben het hier volledig teruggebracht in de oorspronkelijke staat.” Grinnikend: “Dat was wel wat je noemt een uitdaging.”

Kerk van Jisp

“Hier” is een werkplaats op de eerste verdieping van een oude loods in Velsen-Noord. Het pand is eigendom van wat vroeger Hoogovens heette, daarna korte tijd Corus en tegenwoordig Tata Steel. In 1978 hoorde Jan Scholtens, instrumentmaker bij Hoogovens, dat het torenuurwerk uit de kerk van zijn woonplaats Jisp zou worden weggedaan. Net zoals elders in het land zou het vervangen worden door een elektrisch uurwerk. Scholtens vond het eeuwig zonde en overlegde met technische collega’s wat ze eraan konden doen. Dat leidde tot de vorming van de Stichting tot Behoud van het Torenuurwerk. Hoogovens stelde een werkruimte beschikbaar, Scholtens en zijn collega’s herstelden in hun vrije tijd het uurwerk en plaatsten het terug. Het loopt nog steeds. Daan Kerkvliet, secretaris van de Stichting, schat dat het zo’n honderd tot tweehonderd jaar gaat duren voor opnieuw een reparatie nodig zal zijn.

15e eeuws uurwerk

Het verhaal van de restauratie verspreidde zich snel, en zo werd de groep vrijwillige techneuten ook betrokken bij het herstel van het torenuurwerk in het Noord-Hollandse dorpje Winkel. Koolstofonderzoek van de houten opwindtrommel dateerde het mechanisme op begin 15e eeuw. Omdat het uurwerk inmiddels al vervangen was door een moderne elektrische aandrijving staat het origineel nu museaal opgesteld in de Lucaskerk te Winkel.Tot de dag van vandaag weten talloze liefhebbers de Stichting te vinden. De vrijwilligers zijn inmiddels allemaal gepensioneerd, maar onverminderd enthousiaste en deskundige metaalbewerkers en elektrotechnici. Secretaris Daan Kerkvliet werkte als constructeur van bruggen en tunnels en is ‘gewoon’ liefhebber van klokken.

Eigen uitvindingen

Hun credo is ‘Geen wijzigingen aanbrengen in het uurwerk’. Alle verbeteringen worden daarom bevestigd met een klemverbinding. Dat betekent niet dat ze moderne technieken schuwen. Omdat er geen kosters meer zijn die gewichten ophalen, heeft de groep volledig automatische opwindsystemen ontwikkeld, inclusief de bijpassende software. Een andere uitvinding is de slingervanger. Tweemaal daags stopt die gedurende een aantal seconden een uurwerk dat per dag circa één minuut voorloopt. Daarna kan het op de exacte tijd weer verder lopen. Door deze toevoegingen lopen ook heel vroege uurwerken nu op tijd. Op hun uitvindingen heeft de Stichting geen patent. Integendeel: veel van de in de afgelopen decennia verzamelde kennis is beschikbaar via haar website. Een deel wordt opgeslagen in een aparte kennisbank. Daan: “Hoe meer ze nagemaakt worden, hoe meer klokken gerepareerd kunnen worden.”

Advies en zelf doen

Het aantal vragen om hulp was soms zo groot, dat mensen weleens langer dan een jaar op hulp moesten wachten. Begin 2000 besloot de Stichting een meer adviserende rol te gaan spelen, en het daadwerkelijke reparatiewerk grotendeels over te laten aan gespecialiseerde bedrijven als Eijsbouts en Daelmans in Brabant en Vellema in Friesland. Voor hun advieswerk vragen ze een bescheiden vergoeding. Wanneer er tijd voor is, doen ze nog steeds graag dingen zelf.

Zichtbaar

Wat torenuurwerken zo boeiend maakt? Voor Nico Kroese is de geavanceerde techniek van de eeuwenoude appraten een blijvende bron van verbazing. “Zulke ingenieuze apparaten. Hoe kregen ze dat in die tijd al voor elkaar?” Daan Kerkvliet: “Het leuke is het formaat. Je maakt zelf onderdelen op een heel andere schaal dan normaal gesproken. In principe is er geen verschil met een gewone mechanische klok. Het zijn allebei tandwielstelsels met een slinger, en meestal een slagwerk met hamer. Alleen het op tijd zetten is lastiger. Je kunt immers niet bij de wijzers. Verder kom je op heel veel verschillende plaatsen, en doe je onderzoek in archieven omdat er zoveel historie verbonden is aan deze uurwerken. En wat ook echt leuk is: je werk is heel zichtbaar.”

www.torenuurwerk.nl

Dit artikel verscheen eerder in het decembernummer 2019 van Vakblad Edelmetaal

 

 

 

15e eeuws torenuurwerk Lucaskerk te Winkel, N-H 

Duizend teruggevonden trouwringen

De schrik is groot als iemand een trouwring verliest. Nog groter is de dankbaarheid wanneer vrijwilligers van GevondenVerloren.nl de gouden band terug weten te vinden. Afgelopen zomer haalden de metaaldetecteerders de duizendste trouwring in hun vijfjarig bestaan boven water.

Een trouwring verliezen kan op allerlei manieren en om allerlei redenen. Mensen vallen bijvoorbeeld af, bewust of doordat ze ziek zijn geweest. Ze smeren zich in met anti-zonnebrandcrème, waarna bij het zwemmen de ring van hun vinger glibbert. Ze verliezen hem bij het eendjes voeren, bij het overgooien van een bal in het water of bij het uitkloppen van een mat op hun balkon. Soms wordt hij bij een ruzie bewust weggegooid.

Vreugde

Wie dan bij GevondenVerloren.nl om hulp vraagt via de website of WhatsApp, krijgt meestal heel snel antwoord. Na een standaard uitvraagprocedure – waar verloren, op land of in water, in het laatste geval: hoe diep? – gaat een duo detecteerders zo snel mogelijk op zoek. GevondenVerloren.nl bestaat uit heel diverse mensen, die als hobby aan metaaldetectie doen. Sommigen zijn ook ervaren duikers. ‘We doen dit speurwerk omdat we het mensen gunnen hun emotioneel waardevolle spullen terug te krijgen. Als dat lukt en je ziet hun vreugde…dat moment is met geen geld te betalen,’ vertelt Richard Ober, die samen met Martin van Hees GevondenVerloren.nl beheert en coördineert. ‘Voor ons betekent het bovendien avontuur. We maken zoveel mee!’

Emotie aan sieraden

Martin van Hees, oprichter van GevondenVerloren.nl, doet vrijwel zijn hele leven al aan metaaldetectie, en ging later ook duiken. Hij realiseerde zich hoeveel emotie er aan sieraden zit toen hij zelf een gouden voetballetje verloor, dat vervolgens door zijn eigen zoon werd teruggevonden. Op Hyves, een voorloper van Facebook, begon hij mensen bij elkaar te brengen die sieraden gevonden of verloren hadden. Het aantal hulpvragen steeg zo snel, dat hij vrienden uit de detectiewereld vroeg ook mee te werken.

324 Keer succesvol

Inmiddels telt de groep 36 leden, grotendeels in Nederland, maar ook een aantal in België en Duitsland. Ze zoeken naar alle mogelijke sieraden en andere dierbare metalen voorwerpen, maar het meest zoeken ze naar trouwringen. De speurders gebruiken detectieapparaten, die reageren op het specifieke eigen geluid van metalen, en af en toe magneten. GevondenVerloren.nl is heel succesvol. In 2018 werd 383 keer hun hulp ingeroepen. Daarvan vonden ze 324 keer het verloren voorwerp terug.

Ringen in het water

Richard herinnert zich een bruiloft waar een tante in rolstoel de ringen wilde bekijken. Ze trok het doosje iets te onhandig open, en één ring sprong weg. Aanvankelijk had niemand van de vrijwilligers tijd. Daarop ergerden ze zich zo aan zichzelf en elkaar, dat uiteindelijk maar liefst vijf leden hun bezigheden lieten voor wat ze waren en kwamen zoeken. En vonden! Een andere keer was het bruidspaar op een vlonder de ceremonie aan het oefenen. De bruidegom liet beide ringen in het water vallen. Martin dook ze nog diezelfde avond op.

Zeearend

Soms lukt een zoekactie ook niet. Wat de hele club tot nu toe het meest bijblijft was een set trouwringen, die al vier generaties werd doorgegeven in de familie van de bruid. Een valkenier zou het doosje door een zeearend laten invliegen en afgeven aan het bruidspaar op de binnenplaats van een kasteel. Maar de vogel raakte uit balans, landde op een schoorsteen, vloog nog een paar rondjes en verloor ergens onderweg de ringen. De detecteerders zijn een half jaar bezig geweest met het uitkammen van het kasteelterrein, terwijl vijf duikers de slotgracht doorzochten. Ondanks die verbeten inzet zijn de ringen nooit gevonden.

Karmapunten

GevondenVerloren.nl droeg heel lang de meeste kosten zelf. Omdat ze te hoog werden is nu een stichting in oprichting. Dat maakt donaties en sponsoring mogelijk, zodat de groep kan blijven doen wat ze doet. Commercieel zal het nooit worden. Richard: ‘Dan wordt het werk en dat willen we niet. Opgetogen mensen zeggen wel eens tegen ons dat we extra karmapunten hebben verdiend, of zelfs een plaatsje in de hemel. Heel leuk natuurlijk. Maar wij vinden helpen de gewoonste zaak van de wereld.’

http://www.gevonden-verloren.nl

 

@MaartjeStrijbos

Dit verhaal verscheen eerder in vakblad Edelmetaal, editie december 2019

Een podium voor de Zaanse klok in het land van Albert Heijn

Museum Zaanse Tijd opende dit voorjaar een compleet vernieuwde presentatie van haar collectie Zaanse klokken. In een in 19e-eeuwse stijl ingerichte woonkamer komen ze beter tot hun recht dan ooit. Die aanpak reflecteert de missie van het museum: laten zien hoezeer de Zaanse klok verweven is met de industriële geschiedenis van de Zaanstreek.

De Zaanstreek was in de zestiende eeuw het allereerste industriegebied van Nederland. Het begon met het gebruik van de net uitgevonden molen met krukas, waarmee op grote schaal hout gezaagd kon worden. Al snel volgden honderden andere molens die de productie van bijvoorbeeld papier, verf, cacaopoeder en gepelde rijst mogelijk maakten.

Ook de Zaanse zakenman Kornelis Volger deed in papier en was eigenaar van een windmolen. Maar vermoedelijk had hij ook het vak van klokkenmaker geleerd. Volger bouwde de eerste Zaanse klok, bedoeld als huisuurwerk. Een relatief goedkoop model in een eenvoudige houten kast, waarin hij zijn technische kennis van molentechniek combineerde met het recent door Christiaan Huygens uitgevonden slingeruurwerk.

Het sloeg zo aan bij de burgerbevolking, dat een nieuwe Zaanse industrietak ontstond van seriematig geproduceerde klokken. Van 1670 tot 1750 was het in de Zaanstreek een bloeiende branche. In de loop der jaren werd het eenvoudige oermodel in steeds luxere varianten gemaakt, met duurder materiaal en uitbundige versiering. De opkomst van de Friese klok luidde het einde in van de populariteit.

Hernieuwde interesse

Maar aan het eind van de negentiende eeuw was er hernieuwde interesse in antiek en ambachtelijkheid. De Zaanse klokken, gemaakt naar voorbeeld van de oude modellen en nu voorzien van een houten puntdakje, deden het weer goed. En vlak na de tweede wereldoorlog was er nogmaals een enorme opleving in de vraag. Met honderdduizenden gingen de replica’s in binnen- en buitenland over de toonbank. Omdat de klokkenindustrie tegen die tijd uit de Zaanstreek verdwenen was, werden ze in allerlei andere Nederlandse plaatsen geproduceerd, van Schoonhoven tot Almelo. Op dit moment gaan veel oudere exemplaren naar de VS.

Twee mannen en de Zaanse Schans

Twee ondernemende Zaankanters staan aan de wieg van het huidige museum. Eerst was daar in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatselijk architect Jaap Schipper. Met lede ogen zag hij hoe in de omgeving steeds meer authentieke houten huizen verkrotten of werden gesloopt. Jaap begon die vervallen of in de weg staande panden op te kopen.

Hij zette ze bij elkaar op de Zaanse Schans en werd daarmee de grondlegger van het gelijknamige kunstmatige dorpje aan de rivier de Zaan. De Zaanse Schans is echter uitdrukkelijk geen openluchtmuseum. De huizen worden bewoond, de molens zijn in gebruik. Sommige bewoners verdienen de kost met kleine winkels, een kaasmakerij of horeca.

In 1976 werd het laatste huis geplaatst, een voormalige ondernemerswoning, met de uitdrukkelijke bedoeling er een museum van te maken. Zakenman Ber van der Molen, de tweede belangrijke man in dit verhaal, bracht zijn collectie klokken onder in de woning. Vanaf dat moment was dat het Museum van het Nederlandse Uurwerk.

Onvoldoende focus

Tien jaar later besloot Ber van der Molen echter zijn geld anders te gaan beleggen. Een schok in de Zaanstreek, en het startsein voor een grootscheepse inzamelingsactie. Met de opbrengst werd de collectie gekocht en ondergebracht in een stichting.

Hoewel de Zaanse Schans honderdduizenden toeristen uit de hele wereld trekt, stapten weinig mensen over de drempel van het museum Toen in 2015 ook nog de gemeentelijke subsidie ophield, besloot het bestuur dat het tijd werd voor een andere strategie. De huisvesting was prachtig, maar de collectie had onvoldoende focus. Een nieuwe aanpak moest vooral het verhaal over de geschiedenis van en het klokkenambacht in de Zaanstreek beter gaan vertellen. Daar hoorde om te beginnen een nieuwe naam bij.

Woonkamer

De presentatie in de woonkamer is het resultaat van de huidige focus. De wanden zijn authentiek Zaans roze geverfd. Voorheen verduisterde ramen laten weer licht binnen. Een gezellige eettafel met stoelen en een bos bloemen maken het huiselijk. Aan de wanden zijn alle mogelijke Zaanse klokken de blikvangers. Van het simpele oermodel tot steeds verfijnder exemplaren van edele houtsoorten en met signatuur. Elders in het museum is een aantal staande klokken uit de streek te zien, een collectie zakhorloges en natuurlijk de grote torenuurwerken. Maar er is geen twijfel mogelijk. Dit museum gaat over de Zaanse klok.

dav

 

Dit artikel verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

http://www.mnuurwerk.nl

De Gravin zoekt het zelf uit

Een opleiding tot handgraveur is er in Nederland niet meer. Gelukkig zijn er wel mensen als Cécile Oorthuis. Zó gegrepen door het vak, dat ze haar kennis op eigen houtje overal vandaan haalt en voortdurend verdiept. Tot vreugde van menig branchegenoot.

“Op mijn achttiende twijfelde ik tussen de Vakschool in Schoonhoven en het conservatorium in Amsterdam. Die twijfel was niet zo vreemd. Mijn ouders waren goudsmeden en hadden een winkel met sieraden en edelstenen. Wij kinderen waren als vanzelfsprekend bezig met edelstenen, met beitels, met stenen slijpen. Kortom, met allerlei fijn handwerk. Uiteindelijk koos ik toch voor de muziek en werd professioneel dwarsfluitiste. Ik speelde in een orkest, gaf les en vormde met een harpiste een duo, dat nu al vijfentwintig jaar optreedt.

Levendig

Het graveren kwam in 2010 op mijn pad toen een kennis vertelde dat ze in Schoonhoven een cursus handgraveren ging doen. ‘Jeetje, dat zou ook iets voor mij zijn,’ dacht ik meteen, en inderdaad had ik tijdens de basiscursus van tien avonden direct de smaak te pakken. Daarom deed ik bij Zadkine in Amsterdam een vervolgcursus. Dat er verder geen officiële opleiding meer is zag ik als kans, want er zijn weinig mensen die nog handgravures kunnen maken. Terwijl er ondanks computergestuurde- en lasertechnieken zeker vraag naar is. Omdat ze levendiger zijn en eeuwen meegaan. Al snel bedacht ik de bedrijfsnaam De Gravin. Dat klinkt aantrekkelijker dan het wat stijve graveuse.

Oefenen en internet

Het was en is vooral heel veel oefenen. Die zelfdiscipline ben ik als muzikant gewend, en ik vind het werk gewoon heel leuk. Verder ben ik ontzettend gaan snuffelen op internet. Er bleek heel veel zinnige informatie te vinden over het vak en vakgenoten. Zo bestudeerde ik het werk van vooral Amerikaanse master engravers. En ik stuitte op het bestaan van een pneumatische steker, die een eind zou moeten maken aan schouderklachten. Die had ik al snel, omdat ik zoveel oefende. Van een Haarlemse graveur die de Airgraver gebruikte mocht ik het apparaat lenen. Het werkte zo fijn, dat ik al na een dag besloot er zelf een aan te schaffen. Verder heb ik weinig contact met andere handgraveurs. Er zijn er ook niet zo veel. Hun aantal is bijna op de vingers van één hand te tellen.

Klantenkring overnemen

Eind 2013 wilde Herma Lancée haar graveerbedrijf hier in de buurt sluiten vanwege, inderdaad, een hardnekkige schouderblessure. Ze vroeg of ik haar klanten over wilde nemen. Ik ben met allemaal gaan kennismaken en ze wilden graag met mij verder. In januari 2014 werd De Gravin een officieel bedrijf. Mijn klantenkring bestaat voor ongeveer de helft uit juweliers. De andere helft zijn antiquairs, particulieren en organisaties die iets bijzonders willen.

Zweten

Veel mensen zijn de laatste jaren op zoek naar unieke ervaringen en authenticiteit. Ze houden van handgemaakte spullen, van persoonlijke cadeaus. Adellijke families hebben daar een langere traditie in. Ze komen bij mij voor het graveren van zegelringen en gebruiksvoorwerpen. Maar voor een andere particulier heb ik bijvoorbeeld een kindertekening op manchetknopen gegraveerd. Een antiquair heb ik geholpen bij de restauratie van een octant, een houten meetapparaat uit de scheepvaart. De graadverdeling moest gestoken worden op nieuwe ivoren plaatjes. Heel eervol is het graveren van de prijs voor de meest spraakmakende regisseur bij het Nederlands Film Festival in Utrecht. De moeilijkste klus tot nu toe was een tekst in een oester. Als je daar een stukje verkeerd wegsteekt is de schade onherstelbaar. Toen heb ik wel gezweet ja.

Sam Alfano

Tijdens mijn surfsessies op internet was me opgevallen dat vooral Amerikanen veel respect hebben voor ambachtslieden. Sam Alfano uit Louisiana is daar een meestergraveur met een grote naam. Hij bleek af en toe privéleerlingen aan te nemen. Het lukte me om er daar een van te zijn. Ik heb toen een week lang vooral technische lessen bij hem gevolgd. In shading, het mooi steken van schaduw, in sculpting, dat is heel veel materiaal weghalen tot er een reliëf blijft staan, in goud inleggen en in running leaf, een soort kettingdecoratie. Sam gaf me veel complimenten, dat was natuurlijk leuk. Al snel na mijn terugkomst was er een klant die zo’n running leaf op een stalen horlogekast wilde. Dat lukte!

Edelsteengraveren

Verder blijf ik me ontwikkelen door mezelf opdrachten te geven. Ik heb een begin gemaakt met edelsteengraveren. Vooral voor gebruik in zegelringen, met een familiewapen of monogram er in. Het is een heel andere techniek, waar ik me helemaal in vast ga bijten. Het mooie vind ik dat het ook een link heeft met thuis, met de edelstenen die ik elke dag in handen had bij mijn ouders. Ik krijg hulp van Henk de Groot, de laatste maar inmiddels gepensioneerde edelsteengraveur van Nederland, en veel juweliers geven me oefenstenen. Iedereen wil zó graag dat ik het ga doen. Want verder wordt edelsteengraveren vrijwel uitsluitend gedaan in Idar-Oberstein. Het is een potdichte wereld.

Erfgoed

Afgelopen jaar wilde ik mezelf toetsen aan de ballotagecommissie van het Nederlands Gilde van Goudsmeden. Zij nemen ook handgraveurs en diamantzetters op, maar hun lijst met technische voorwaarden is lang. Je moet je eigen gereedschap kunnen maken en allerlei graveertechnieken beheersen. Ik ben er trots op dat ik de toets doorstaan heb en nu lid ben van het Gilde. Dat er helemaal geen vakopleiding meer is was voor mij een kans, maar het blijft ook jammer. Handgraveren is toch bijna immaterieel erfgoed.”

https://degravin.jimdo.com/

 

Dit verhaal verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

Het meisje dat voorliep

In 1975 was Nellie Vliegenthart het enige meisje in de eerste klas van de opleiding horlogemaken aan de Rotterdamse Christiaan Huygensschool. Een positie waar ze even aan moest wennen. Dat duurde gelukkig maar kort. 44 jaar later geniet ze nog elke dag van haar vak.

“Open dagen op scholen waren midden jaren zeventig een onbekend fenomeen. Er was in het algemeen weinig informatie over wat opleidingen eigenlijk inhielden. Ik kwam op de Christiaan Huygens terecht door mijn oma, die ergens gehoord had over de horlogemakersafdeling daar. Dat leek haar wel iets voor mij, omdat ik goed was in wis- en natuurkunde en altijd zat te knutselen met hele kleine kraaltjes. Mijn moeder vond het een goed idee. Dat ik als zestienjarig meisje in Rotterdam naar school zou gaan en gewoon thuis blijven wonen was vanzelfsprekend. Zonder dat we gingen kijken gaf ze me op als leerling, en dat was dat.

Alle vakken leuk

De school was gevestigd in een flatgebouw aan de Benthemstraat, vlak bij het Hofplein. Het was een MTS met meerdere vakrichtingen in de precisiesfeer, zoals optiek en fijnmechanica. Bij horlogemaken vond ik alle vakken meteen leuk. Later kwam ik er achter dat er ook een MTS-opleiding in Schoonhoven en een horlogemakers-LTS in Hoorn waren, maar dat de Christiaan Huygens wel gezien werd als dé opleiding. In het begin vond ik het eng om het enige meisje te zijn tussen veertien jongens. Na een half jaar was dat wel over en voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam ook door meneer Kooregevel, een van mijn praktijkdocenten. Hij gaf me wat extra aandacht en mede daardoor groeide mijn zelfvertrouwen.

Ruige buurt

Tijdens mijn stage en de vier jaren erna deed ik veel verschillende ervaring op. Op mijn stageadres in Den Haag leerde ik zowel van de eigenaar van de juwelierszaak als van een collega-uurwerkmaker. Ik kreeg er meteen al dure merken als Alpina en IWC onder handen. Mijn eerste echte baan kwam, net als mijn beroepskeuze, zonder veel poespas tot stand. Op het raam van een winkel aan de Kruiskade, tot de dag van vandaag een behoorlijk ruige buurt in Rotterdam, hing een briefje: ‘Uurwerkmaker gezocht’. Ik liep naar binnen, had een kort gesprek en kon meteen beginnen. Omdat ik de enige uurwerkmaker was, moest ik vanaf dat moment alles zelf uitzoeken. Best pittig. Ik ben er weggegaan toen de verkoopster aan het eind van een zaterdagmiddag de zaak afsloot en mij, gewoon op die enge straat vol drugshandelaren, de sleutel gaf. ‘Doe jij maandag open?’, vroeg ze. ‘Want dan ben ik er niet.’ Die verantwoordelijkheid was me te groot, ik was pas twintig. Dus heb ik mijn ontslag genomen. Niks opzegtermijn of contractgedoe. Het is wel grappig hoe eenvoudig dat toen nog was.

Een officieel bedrijf

Bij een reparatiewerkplaats voor juweliers waar ik vervolgens in dienst kwam, was ik veel beter op mijn plek. Ik had vijf collega’s, het was gezellig, we leerden van elkaar. Ik bleef er tot mijn eerste zwangerschap. Toen verhuisde ik naar Capelle aan den IJssel en deed voortaan aan huis opdrachten voor familie en vrienden. Zodra mijn jongste kind naar de basisschool ging, had ik weer meer tijd om te werken. Een juwelier met twee zaken vroeg of ik zijn reparaties wilde doen. Daarmee had ik een officiële klant. Met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel begon ik daarom ook een officieel bedrijf. Al snel volgden meer juweliers in de omgeving van Capelle en Rotterdam en deed ik reparaties voor Seiko. Dit jaar vier ik mijn zilveren bedrijfsjubileum!

Openmaken

Bijblijven op mijn vakgebied doe ik door gewoon door te gaan. Iets open durven maken en bij twijfel de volgorde fotograferen waarin ik het uurwerk uit elkaar haal. Verder ben ik lid van het Uurwerkherstellersforum online. Een plek waar vakgenoten elkaar vragen stellen of ze beantwoorden, en elkaar helpen aan oudere onderdelen. Ik ben trouwens om een andere reden toch nog in Schoonhoven terecht gekomen. Het leek me leuk om ook te kunnen goudsmeden. Daarom heb ik avondcursussen gedaan. Eerst op de Vakschool met dertig medeleerlingen, later in een veel kleinere groep in de werkplaats van edelsmid Ad Brandenburg. Alles bij elkaar wel negen jaar. De kennis van edelmetalen en bewerkingstechnieken komt soms nog van pas bij het restaureren van klokken.

Particuliere liefhebbers

Net zoals bij andere ondernemers zijn er drukke en stillere tijden. De crisis die in 2008 losbarstte voel ik zelfs nu nog. Wat jammer is, en dat zeggen natuurlijk meer collega’s, is dat veel merken reparaties naar zich toetrekken en geen onderdelen meer leveren. Wij hebben daardoor minder te doen en de consument is duurder uit. Bovendien zijn veel horloges duurder om te repareren dan om nieuw aan te schaffen. Of mensen lezen de tijd op hun telefoon. Particuliere liefhebbers van mechanische horloges komen gelukkig nog wel voor reparaties. Zelfs vanuit noordelijk Noord-Holland komen ze naar me toe, dankzij mond-tot-mond reclame. Dat blijft toch de beste aanbeveling. Verder knap ik klokken op die mensen niet meer willen hebben. Daarna verkoop ik ze.

Torenuurwerk

Ik had ook automonteur kunnen worden zoals mijn vader. Daarin is altijd werk. Maar ik vind dit mooi. En als er iets bijzonders op mijn pad komt, dan graag. Ik zou nog wel eens een torenuurwerk willen doen. Veel groter werken, met andere machines en met vakgenoten, want zoiets kan je niet alleen. Ik ben trots op wat ik doe, ik ga er zo lang mogelijk mee door. Mijn kinderen plagen me weleens. Dan zeggen ze: ‘Jij stopt pas met klokkenmaken als je de kist ingaat.’ “

 

www.uurwerk-techniek.nl

https://www.vakschoolschoonhoven.nl/Studeren/Studiewijzer/uurwerkhersteller%20branche-erkende%20opleiding.aspx

Dit verhaal verscheen in het vakblad Edelmetaal, editie Maart 2019

 

 

De waarde van al wat tikt

‘Heel veel’ vervalsingen krijgt hij onder ogen. Meestal heeft hij het snel door, maar soms is een kopie zo goed dat zelfs hij twee keer moet kijken. Uurwerktaxateur Antoon Gaemers over techniek, kwaliteit en, vooral, emotie.

“Nederlandse juweliers die een Rolex aangeboden krijgen, bellen me geregeld voor een verificatie. Als er een ETA-uurwerk in zit ben ik kort: dan is het geen Rolex. Al kan het best een goed horloge zijn. Een zelfde reactie krijgt Justitie wanneer die in het kader van de Pluk ze!-maatregel een gouden Rolexkast laat taxeren. Als het origineel tachtig gram moet wegen en het is maar veertig gram, weet ik het al. Vervalsingen zijn aan nog veel meer te herkennen. Aan de wijzerplaat, het type schroefjes, het materiaal, de vertanding van het raderwerk. Maar sommige met nieuwe lasertechnieken gemaakte imitaties zijn steeds lastiger te onderscheiden van het hoogwaardige product. Zo nu en dan moet ik echt twee keer kijken.

Stijl versus techniek
Ik roep altijd: ‘Een goede taxateur moet eerst uurwerkmaker zijn.’ Je moet met klokken beginnen en bij horloges eindigen, zodat je al die verschillende mechanieken in handen hebt gehad. Opengemaakt, gezien, gerestaureerd. Daarom probeer ik eersteklas uurwerkmakers te stimuleren ook taxateur te worden. Het is zo’n interessant en breed terrein. Je moet natuurlijk om te beginnen technische kennis hebben. Liefst vanaf de zonnewijzer, en minimaal vanaf het eerste slingeruurwerk van Christiaan Huijgens in de zeventiende eeuw. Er hoort flink wat stijlkennis bij. Is een klok of horloge uit de empiretijd? Louis XVI? Art Déco? Bij de waardebepaling kan de stijl soms belangrijker zijn dan de kwaliteit van het uurwerk. Je moet ook de geschiedenis van klokkenmakers en fabrikanten kennen. Daar zijn gelukkig veel boeken over. Onder andere Patek Philippe, Jaeger Le Coultre en Rolex hebben hun eigen producten goed gedocumenteerd.

1952
Ik ben registertaxateur, gecertificeerd door de Vereniging van Taxateurs, Makelaars en Veilinghouders. Elk jaar moet ik laten zien dat ik bijblijf. Daar krijg ik punten voor, en de certificering wordt iedere vijf jaar herzien. In Nederland is nog een andere opleiding: Taxeren van Juweliersartikelen van na 1952. Die grensdatum wordt gehanteerd, omdat vanaf die tijd de betere horlogemerken goed zijn gaan documenteren. Hooguit tien collega’s combineren dat diploma met een eigen winkel. Door hun praktijkervaring hebben ze overigens dikwijls ook veel kennis van horloges van vóór 1952. Ze overleggen vaak met elkaar. Dat vind ik verstandig, want samen weet je meer. Ik ben de vierde generatie van een uurwerkmakersfamilie en opgegroeid in de werkplaats, maar ook ik weet nog steeds niet alles.

ETA in plaats van Patek
Een taxatie begint met het bepalen van de constructie van het uurwerk. Is het een cylinder, een spillegang, een Zwitserse ankergang? Daarna bekijk ik de kast. Als hij van edelmetaal is moeten de keurtekens kloppen. De wijzerplaat is ook van grote invloed op de waarde. Hij kan op veel manieren gemaakt en versierd zijn. Geëmailleerd, geguillocheerd, gedrukt. De wijzerplaten van oudere Patek Philippes zijn geblauwd met olie en warmte. Door het verstrijken van de tijd worden ze bruin. Zo’n model brengt meer op dan een later exemplaar dat gekleurd is met lak op waterbasis. De wijzerplaten horen met pennetjes bevestigd te zijn aan het uurwerk. Je ziet vaak dat die pennetjes zijn afgeknipt, en dat het originele uurwerk vervangen is door een standaard exemplaar. Dan kan je zomaar een Patek Philippe hebben met een ETA kwartsuurwerkje erin. En opeens is zo’n horloge nog maar € 1000,- waard, in plaats van € 10.000,-.

Firmanaam
Zeldzaamheid is van grote invloed op de waarde. Topmerken geven hun horloges kaliber- en serienummers. Bij prijzen boven de € 15.000,- worden die nummers bepalend, omdat er van de ene serie honderd zijn gemaakt, van de andere misschien wel duizend. Zelfs de band weegt mee in de waardebepaling. Voor 1952 werden horloges vaak verkocht aan goudfirma’s, die er zelf een gouden band aan monteerden. Het was ook niet ongewoon dat de juwelier er zijn eigen naam op zette. Wat zeker niet wil zeggen dat dat slecht is. Het maakt horloges zoals Rolex by Gublin of Patek by Tiffany uniek en soms wel € 20.000,- meer waard. Fabrieken vonden het ook geen enkel punt. Voor goede klanten deden ze dat graag. Hun naam was minder belangrijk – voor het publiek was de juwelier de belangrijke man. Tegenwoordig is het net andersom.

Geliefd
De meest geliefde horloges op dit moment zijn Pateks, oude Heuers, originele Breguets en de Jaeger Le Coultre Reverso. En Rolex natuurlijk, dat nooit gestopt is met het maken van het model Oyster Perpetual, een mechanisch horloge. Een gecompliceerd uurwerk mag wat kosten, maar slecht onderhoud doet enorm afbreuk aan de waarde. Een gouden JLC Monovox uit de jaren zestig die toen fl. 300,- kostte, brengt nu op zijn sloffen € 5000,- op. Maar alleen mits goed onderhouden.

Goud en staal
Veel van mijn klanten zijn particulieren. Ze willen taxatie van een erfstuk, of hertaxatie voor een verzekering. Ze hebben soms een weinig realistisch beeld van de waarde. Een Breguet die niet door hem zelf is gesigneerd brengt bijvoorbeeld niet zo veel op. Het gebeurt ook dat ik mensen totaal kan verrassen. Zoals een familie met vier Patek Philippe Calatrava’s, een standaard zakhorloge. Drie waren van goud, een was van staal. Het gouden exemplaar taxeerde ik op een bedrag tussen de €3000,- en €4000,-. Ze verwachtten dat het stalen model dus minder waard zou zijn. Maar daar waren er maar 44 van gemaakt! Het was met een geschatte waarde tussen de € 20.000,- en € 30.000,- veel waardevoller dan de gouden horloges.

Je zou kunnen anticiperen op zo´n verwachting en een goede slag slaan, maar ik vind ethiek in dit vak belangrijk. Klanten moeten je kunnen vertrouwen. De gesprekken met hen vind ik altijd heel leuk. Ik vertel zoveel mogelijk, want een horloge is voor de klant vaak emotie. Dat is ook voor mij uiteindelijk het belangrijkste. Iets wat mooi is, hoeft niet altijd economische waarde te hebben.”

https://gaemers.nl/

https://www.patek.com/en/home

https://www.chrono24.nl/breguet/index.htm

https://www.jaeger-lecoultre.com/eu/en/home-page.html

https://www.rolex.com/

  

 

Dit artikel verscheen in magazine Horloges/0024, editie 68

Op 22 april 2020 overleed Antoon Gaemers aan de coronagriep.