Een podium voor de Zaanse klok in het land van Albert Heijn

Museum Zaanse Tijd opende dit voorjaar een compleet vernieuwde presentatie van haar collectie Zaanse klokken. In een in 19e-eeuwse stijl ingerichte woonkamer komen ze beter tot hun recht dan ooit. Die aanpak reflecteert de missie van het museum: laten zien hoezeer de Zaanse klok verweven is met de industriële geschiedenis van de Zaanstreek.

De Zaanstreek was in de zestiende eeuw het allereerste industriegebied van Nederland. Het begon met het gebruik van de net uitgevonden molen met krukas, waarmee op grote schaal hout gezaagd kon worden. Al snel volgden honderden andere molens die de productie van bijvoorbeeld papier, verf, cacaopoeder en gepelde rijst mogelijk maakten.

Ook de Zaanse zakenman Kornelis Volger deed in papier en was eigenaar van een windmolen. Maar vermoedelijk had hij ook het vak van klokkenmaker geleerd. Volger bouwde de eerste Zaanse klok, bedoeld als huisuurwerk. Een relatief goedkoop model in een eenvoudige houten kast, waarin hij zijn technische kennis van molentechniek combineerde met het recent door Christiaan Huygens uitgevonden slingeruurwerk.

Het sloeg zo aan bij de burgerbevolking, dat een nieuwe Zaanse industrietak ontstond van seriematig geproduceerde klokken. Van 1670 tot 1750 was het in de Zaanstreek een bloeiende branche. In de loop der jaren werd het eenvoudige oermodel in steeds luxere varianten gemaakt, met duurder materiaal en uitbundige versiering. De opkomst van de Friese klok luidde het einde in van de populariteit.

Hernieuwde interesse

Maar aan het eind van de negentiende eeuw was er hernieuwde interesse in antiek en ambachtelijkheid. De Zaanse klokken, gemaakt naar voorbeeld van de oude modellen en nu voorzien van een houten puntdakje, deden het weer goed. En vlak na de tweede wereldoorlog was er nogmaals een enorme opleving in de vraag. Met honderdduizenden gingen de replica’s in binnen- en buitenland over de toonbank. Omdat de klokkenindustrie tegen die tijd uit de Zaanstreek verdwenen was, werden ze in allerlei andere Nederlandse plaatsen geproduceerd, van Schoonhoven tot Almelo. Op dit moment gaan veel oudere exemplaren naar de VS.

Twee mannen en de Zaanse Schans

Twee ondernemende Zaankanters staan aan de wieg van het huidige museum. Eerst was daar in de jaren zestig van de vorige eeuw plaatselijk architect Jaap Schipper. Met lede ogen zag hij hoe in de omgeving steeds meer authentieke houten huizen verkrotten of werden gesloopt. Jaap begon die vervallen of in de weg staande panden op te kopen.

Hij zette ze bij elkaar op de Zaanse Schans en werd daarmee de grondlegger van het gelijknamige kunstmatige dorpje aan de rivier de Zaan. De Zaanse Schans is echter uitdrukkelijk geen openluchtmuseum. De huizen worden bewoond, de molens zijn in gebruik. Sommige bewoners verdienen de kost met kleine winkels, een kaasmakerij of horeca.

In 1976 werd het laatste huis geplaatst, een voormalige ondernemerswoning, met de uitdrukkelijke bedoeling er een museum van te maken. Zakenman Ber van der Molen, de tweede belangrijke man in dit verhaal, bracht zijn collectie klokken onder in de woning. Vanaf dat moment was dat het Museum van het Nederlandse Uurwerk.

Onvoldoende focus

Tien jaar later besloot Ber van der Molen echter zijn geld anders te gaan beleggen. Een schok in de Zaanstreek, en het startsein voor een grootscheepse inzamelingsactie. Met de opbrengst werd de collectie gekocht en ondergebracht in een stichting.

Hoewel de Zaanse Schans honderdduizenden toeristen uit de hele wereld trekt, stapten weinig mensen over de drempel van het museum Toen in 2015 ook nog de gemeentelijke subsidie ophield, besloot het bestuur dat het tijd werd voor een andere strategie. De huisvesting was prachtig, maar de collectie had onvoldoende focus. Een nieuwe aanpak moest vooral het verhaal over de geschiedenis van en het klokkenambacht in de Zaanstreek beter gaan vertellen. Daar hoorde om te beginnen een nieuwe naam bij.

Woonkamer

De presentatie in de woonkamer is het resultaat van de huidige focus. De wanden zijn authentiek Zaans roze geverfd. Voorheen verduisterde ramen laten weer licht binnen. Een gezellige eettafel met stoelen en een bos bloemen maken het huiselijk. Aan de wanden zijn alle mogelijke Zaanse klokken de blikvangers. Van het simpele oermodel tot steeds verfijnder exemplaren van edele houtsoorten en met signatuur. Elders in het museum is een aantal staande klokken uit de streek te zien, een collectie zakhorloges en natuurlijk de grote torenuurwerken. Maar er is geen twijfel mogelijk. Dit museum gaat over de Zaanse klok.

dav

 

Dit artikel verscheen in het juninummer 2019 van vakblad Edelmetaal

http://www.mnuurwerk.nl

Het meisje dat voorliep

In 1975 was Nellie Vliegenthart het enige meisje in de eerste klas van de opleiding horlogemaken aan de Rotterdamse Christiaan Huygensschool. Een positie waar ze even aan moest wennen. Dat duurde gelukkig maar kort. 44 jaar later geniet ze nog elke dag van haar vak.

“Open dagen op scholen waren midden jaren zeventig een onbekend fenomeen. Er was in het algemeen weinig informatie over wat opleidingen eigenlijk inhielden. Ik kwam op de Christiaan Huygens terecht door mijn oma, die ergens gehoord had over de horlogemakersafdeling daar. Dat leek haar wel iets voor mij, omdat ik goed was in wis- en natuurkunde en altijd zat te knutselen met hele kleine kraaltjes. Mijn moeder vond het een goed idee. Dat ik als zestienjarig meisje in Rotterdam naar school zou gaan en gewoon thuis blijven wonen was vanzelfsprekend. Zonder dat we gingen kijken gaf ze me op als leerling, en dat was dat.

Alle vakken leuk

De school was gevestigd in een flatgebouw aan de Benthemstraat, vlak bij het Hofplein. Het was een MTS met meerdere vakrichtingen in de precisiesfeer, zoals optiek en fijnmechanica. Bij horlogemaken vond ik alle vakken meteen leuk. Later kwam ik er achter dat er ook een MTS-opleiding in Schoonhoven en een horlogemakers-LTS in Hoorn waren, maar dat de Christiaan Huygens wel gezien werd als dé opleiding. In het begin vond ik het eng om het enige meisje te zijn tussen veertien jongens. Na een half jaar was dat wel over en voelde ik me op mijn gemak. Dat kwam ook door meneer Kooregevel, een van mijn praktijkdocenten. Hij gaf me wat extra aandacht en mede daardoor groeide mijn zelfvertrouwen.

Ruige buurt

Tijdens mijn stage en de vier jaren erna deed ik veel verschillende ervaring op. Op mijn stageadres in Den Haag leerde ik zowel van de eigenaar van de juwelierszaak als van een collega-uurwerkmaker. Ik kreeg er meteen al dure merken als Alpina en IWC onder handen. Mijn eerste echte baan kwam, net als mijn beroepskeuze, zonder veel poespas tot stand. Op het raam van een winkel aan de Kruiskade, tot de dag van vandaag een behoorlijk ruige buurt in Rotterdam, hing een briefje: ‘Uurwerkmaker gezocht’. Ik liep naar binnen, had een kort gesprek en kon meteen beginnen. Omdat ik de enige uurwerkmaker was, moest ik vanaf dat moment alles zelf uitzoeken. Best pittig. Ik ben er weggegaan toen de verkoopster aan het eind van een zaterdagmiddag de zaak afsloot en mij, gewoon op die enge straat vol drugshandelaren, de sleutel gaf. ‘Doe jij maandag open?’, vroeg ze. ‘Want dan ben ik er niet.’ Die verantwoordelijkheid was me te groot, ik was pas twintig. Dus heb ik mijn ontslag genomen. Niks opzegtermijn of contractgedoe. Het is wel grappig hoe eenvoudig dat toen nog was.

Een officieel bedrijf

Bij een reparatiewerkplaats voor juweliers waar ik vervolgens in dienst kwam, was ik veel beter op mijn plek. Ik had vijf collega’s, het was gezellig, we leerden van elkaar. Ik bleef er tot mijn eerste zwangerschap. Toen verhuisde ik naar Capelle aan den IJssel en deed voortaan aan huis opdrachten voor familie en vrienden. Zodra mijn jongste kind naar de basisschool ging, had ik weer meer tijd om te werken. Een juwelier met twee zaken vroeg of ik zijn reparaties wilde doen. Daarmee had ik een officiële klant. Met een inschrijving bij de Kamer van Koophandel begon ik daarom ook een officieel bedrijf. Al snel volgden meer juweliers in de omgeving van Capelle en Rotterdam en deed ik reparaties voor Seiko. Dit jaar vier ik mijn zilveren bedrijfsjubileum!

Openmaken

Bijblijven op mijn vakgebied doe ik door gewoon door te gaan. Iets open durven maken en bij twijfel de volgorde fotograferen waarin ik het uurwerk uit elkaar haal. Verder ben ik lid van het Uurwerkherstellersforum online. Een plek waar vakgenoten elkaar vragen stellen of ze beantwoorden, en elkaar helpen aan oudere onderdelen. Ik ben trouwens om een andere reden toch nog in Schoonhoven terecht gekomen. Het leek me leuk om ook te kunnen goudsmeden. Daarom heb ik avondcursussen gedaan. Eerst op de Vakschool met dertig medeleerlingen, later in een veel kleinere groep in de werkplaats van edelsmid Ad Brandenburg. Alles bij elkaar wel negen jaar. De kennis van edelmetalen en bewerkingstechnieken komt soms nog van pas bij het restaureren van klokken.

Particuliere liefhebbers

Net zoals bij andere ondernemers zijn er drukke en stillere tijden. De crisis die in 2008 losbarstte voel ik zelfs nu nog. Wat jammer is, en dat zeggen natuurlijk meer collega’s, is dat veel merken reparaties naar zich toetrekken en geen onderdelen meer leveren. Wij hebben daardoor minder te doen en de consument is duurder uit. Bovendien zijn veel horloges duurder om te repareren dan om nieuw aan te schaffen. Of mensen lezen de tijd op hun telefoon. Particuliere liefhebbers van mechanische horloges komen gelukkig nog wel voor reparaties. Zelfs vanuit noordelijk Noord-Holland komen ze naar me toe, dankzij mond-tot-mond reclame. Dat blijft toch de beste aanbeveling. Verder knap ik klokken op die mensen niet meer willen hebben. Daarna verkoop ik ze.

Torenuurwerk

Ik had ook automonteur kunnen worden zoals mijn vader. Daarin is altijd werk. Maar ik vind dit mooi. En als er iets bijzonders op mijn pad komt, dan graag. Ik zou nog wel eens een torenuurwerk willen doen. Veel groter werken, met andere machines en met vakgenoten, want zoiets kan je niet alleen. Ik ben trots op wat ik doe, ik ga er zo lang mogelijk mee door. Mijn kinderen plagen me weleens. Dan zeggen ze: ‘Jij stopt pas met klokkenmaken als je de kist ingaat.’ “

 

www.uurwerk-techniek.nl

https://www.vakschoolschoonhoven.nl/Studeren/Studiewijzer/uurwerkhersteller%20branche-erkende%20opleiding.aspx

Dit verhaal verscheen in het vakblad Edelmetaal, editie Maart 2019

 

 

De waarde van al wat tikt

‘Heel veel’ vervalsingen krijgt hij onder ogen. Meestal heeft hij het snel door, maar soms is een kopie zo goed dat zelfs hij twee keer moet kijken. Uurwerktaxateur Antoon Gaemers over techniek, kwaliteit en, vooral, emotie.

“Nederlandse juweliers die een Rolex aangeboden krijgen, bellen me geregeld voor een verificatie. Als er een ETA-uurwerk in zit ben ik kort: dan is het geen Rolex. Al kan het best een goed horloge zijn. Een zelfde reactie krijgt Justitie wanneer die in het kader van de Pluk ze!-maatregel een gouden Rolexkast laat taxeren. Als het origineel tachtig gram moet wegen en het is maar veertig gram, weet ik het al. Vervalsingen zijn aan nog veel meer te herkennen. Aan de wijzerplaat, het type schroefjes, het materiaal, de vertanding van het raderwerk. Maar sommige met nieuwe lasertechnieken gemaakte imitaties zijn steeds lastiger te onderscheiden van het hoogwaardige product. Zo nu en dan moet ik echt twee keer kijken.

Stijl versus techniek
Ik roep altijd: ‘Een goede taxateur moet eerst uurwerkmaker zijn.’ Je moet met klokken beginnen en bij horloges eindigen, zodat je al die verschillende mechanieken in handen hebt gehad. Opengemaakt, gezien, gerestaureerd. Daarom probeer ik eersteklas uurwerkmakers te stimuleren ook taxateur te worden. Het is zo’n interessant en breed terrein. Je moet natuurlijk om te beginnen technische kennis hebben. Liefst vanaf de zonnewijzer, en minimaal vanaf het eerste slingeruurwerk van Christiaan Huijgens in de zeventiende eeuw. Er hoort flink wat stijlkennis bij. Is een klok of horloge uit de empiretijd? Louis XVI? Art Déco? Bij de waardebepaling kan de stijl soms belangrijker zijn dan de kwaliteit van het uurwerk. Je moet ook de geschiedenis van klokkenmakers en fabrikanten kennen. Daar zijn gelukkig veel boeken over. Onder andere Patek Philippe, Jaeger Le Coultre en Rolex hebben hun eigen producten goed gedocumenteerd.

1952
Ik ben registertaxateur, gecertificeerd door de Vereniging van Taxateurs, Makelaars en Veilinghouders. Elk jaar moet ik laten zien dat ik bijblijf. Daar krijg ik punten voor, en de certificering wordt iedere vijf jaar herzien. In Nederland is nog een andere opleiding: Taxeren van Juweliersartikelen van na 1952. Die grensdatum wordt gehanteerd, omdat vanaf die tijd de betere horlogemerken goed zijn gaan documenteren. Hooguit tien collega’s combineren dat diploma met een eigen winkel. Door hun praktijkervaring hebben ze overigens dikwijls ook veel kennis van horloges van vóór 1952. Ze overleggen vaak met elkaar. Dat vind ik verstandig, want samen weet je meer. Ik ben de vierde generatie van een uurwerkmakersfamilie en opgegroeid in de werkplaats, maar ook ik weet nog steeds niet alles.

ETA in plaats van Patek
Een taxatie begint met het bepalen van de constructie van het uurwerk. Is het een cylinder, een spillegang, een Zwitserse ankergang? Daarna bekijk ik de kast. Als hij van edelmetaal is moeten de keurtekens kloppen. De wijzerplaat is ook van grote invloed op de waarde. Hij kan op veel manieren gemaakt en versierd zijn. Geëmailleerd, geguillocheerd, gedrukt. De wijzerplaten van oudere Patek Philippes zijn geblauwd met olie en warmte. Door het verstrijken van de tijd worden ze bruin. Zo’n model brengt meer op dan een later exemplaar dat gekleurd is met lak op waterbasis. De wijzerplaten horen met pennetjes bevestigd te zijn aan het uurwerk. Je ziet vaak dat die pennetjes zijn afgeknipt, en dat het originele uurwerk vervangen is door een standaard exemplaar. Dan kan je zomaar een Patek Philippe hebben met een ETA kwartsuurwerkje erin. En opeens is zo’n horloge nog maar € 1000,- waard, in plaats van € 10.000,-.

Firmanaam
Zeldzaamheid is van grote invloed op de waarde. Topmerken geven hun horloges kaliber- en serienummers. Bij prijzen boven de € 15.000,- worden die nummers bepalend, omdat er van de ene serie honderd zijn gemaakt, van de andere misschien wel duizend. Zelfs de band weegt mee in de waardebepaling. Voor 1952 werden horloges vaak verkocht aan goudfirma’s, die er zelf een gouden band aan monteerden. Het was ook niet ongewoon dat de juwelier er zijn eigen naam op zette. Wat zeker niet wil zeggen dat dat slecht is. Het maakt horloges zoals Rolex by Gublin of Patek by Tiffany uniek en soms wel € 20.000,- meer waard. Fabrieken vonden het ook geen enkel punt. Voor goede klanten deden ze dat graag. Hun naam was minder belangrijk – voor het publiek was de juwelier de belangrijke man. Tegenwoordig is het net andersom.

Geliefd
De meest geliefde horloges op dit moment zijn Pateks, oude Heuers, originele Breguets en de Jaeger Le Coultre Reverso. En Rolex natuurlijk, dat nooit gestopt is met het maken van het model Oyster Perpetual, een mechanisch horloge. Een gecompliceerd uurwerk mag wat kosten, maar slecht onderhoud doet enorm afbreuk aan de waarde. Een gouden JLC Monovox uit de jaren zestig die toen fl. 300,- kostte, brengt nu op zijn sloffen € 5000,- op. Maar alleen mits goed onderhouden.

Goud en staal
Veel van mijn klanten zijn particulieren. Ze willen taxatie van een erfstuk, of hertaxatie voor een verzekering. Ze hebben soms een weinig realistisch beeld van de waarde. Een Breguet die niet door hem zelf is gesigneerd brengt bijvoorbeeld niet zo veel op. Het gebeurt ook dat ik mensen totaal kan verrassen. Zoals een familie met vier Patek Philippe Calatrava’s, een standaard zakhorloge. Drie waren van goud, een was van staal. Het gouden exemplaar taxeerde ik op een bedrag tussen de €3000,- en €4000,-. Ze verwachtten dat het stalen model dus minder waard zou zijn. Maar daar waren er maar 44 van gemaakt! Het was met een geschatte waarde tussen de € 20.000,- en € 30.000,- veel waardevoller dan de gouden horloges.

Je zou kunnen anticiperen op zo´n verwachting en een goede slag slaan, maar ik vind ethiek in dit vak belangrijk. Klanten moeten je kunnen vertrouwen. De gesprekken met hen vind ik altijd heel leuk. Ik vertel zoveel mogelijk, want een horloge is voor de klant vaak emotie. Dat is ook voor mij uiteindelijk het belangrijkste. Iets wat mooi is, hoeft niet altijd economische waarde te hebben.”

https://gaemers.nl/

https://www.patek.com/en/home

https://www.chrono24.nl/breguet/index.htm

https://www.jaeger-lecoultre.com/eu/en/home-page.html

https://www.rolex.com/

  

 

Dit artikel verscheen in magazine Horloges/0024, editie 68

In wezen ben je zélf een klokkenverzameling

Het raadsel tijd

Voor de tijd hebben we geen orgaan. Kleine en grote uurwerkcollecties zijn om het fenomeen heen gebouwd, terwijl je het niet kunt zien, horen, ruiken, voelen of proeven. Journalist Alan Burdick onderzocht het in al zijn aspecten in een boek over tijd en waarom die vliegt.

Als jongvolwassene weigerde Burdick een horloge te dragen. Tijd voelde voor hem als een drukkende last, van bovenaf opgelegd. Geleidelijk realiseerde hij zich dat hij de tijd meed omdat hij er heimelijk bang voor was, al had hij geen idee wat het eigenlijk was (en is). Op een dag besloot hij op zoek te gaan naar het antwoord, bij klassieke en moderne filosofen, bij wetenschappers en bij zijn eigen uurwerkreparateur. Waar hij snel achter kwam, was dat er niet één waarheid is over de definitie van tijd. Best merkwaardig, als je bedenkt dat onze hele samenleving rond tijd is opgebouwd.

Uren, minuten, seconden

Wat elke klok in essentie doet, is de dag opdelen in handzame eenheden. Een heel bruikbaar, door mensen bedacht systeem. Tot de twintigste eeuw maten klokken de uren en de minuten. Met de komst van het quartz-uurwerk werd ook de seconde belangrijk. Burdick kreeg er mee te maken toen hij, al jaren getrouwd, van zijn schoonvader zijn allereerste horloge cadeau kreeg. Een Concord quartz, met de uuraanduiding in goudkleurige streepjes. Niet dat het hielp: op zijn afspraak bij het Bureau International des poids et mesures in het Franse Sèvres kwam hij prompt te laat. Het Bureau is een van de plekken waar hij mensen interviewde die zich beroepsmatig bezig houden met tijd. In zijn boek komt de lezer ze allemaal tegen.

Celklok

De schrijver vertelt mooie verhalen over de afstelling van alle uurwerken ter wereld op dezelfde tijd: de Universal Coordinated Time. Over hoeveel mensen daar dagelijks mee bezig zijn, en waarom dat belangrijk is voor het goed functioneren van GPS-systemen. Hij laat wetenschappers aan het woord die zich bezighouden met hoe tijd in lichaam en geest functioneert. Zij stellen dat zich in allerlei organen en zelfs cellen klokken bevinden, die met elkaar communiceren en zich op elkaar afstemmen. Een wetenschapper bracht maanden achter elkaar alleen door in een grot, afgesloten van het dag- en nachtritme dat door de zon wordt bepaald. Toen hij weer bovenkwam bleek dat hij er bijna een maand langer was gebleven dan hij dacht. Hetzelfde viel op bij mijnwerkers die na een ongeval tien dagen onder de grond hadden gezeten, maar dachten dat het drie dagen waren geweest.

De mens als klok

Onder al onze levens loopt de cyclus die de etmalen indeelt. Talloze lichaamsritmes- en processen worden er door bepaald. Zo is je bloeddruk het hoogst rond het middaguur, en je alertheid het laagst tussen drie en vijf uur in de ochtend. De cyclus is een klok die blijft ‘tikken’, ook als de mens, het dier, de plant en zelfs de schimmel lang achtereen geen daglicht ziet. Nog mooier is de constatering dat iedere cel in het lichaam zijn eigen klok heeft. Een volwassen menselijk lichaam bestaat uit zo’n vijftig miljard cellen. In wezen ben je zélf een klokkenverzameling.

Gelaagde ervaring

Er is dus ‘meetbare’ tijd, aangegeven door een klok. En er is de tijd die je intern ervaart. Maar we gebruiken het woord ook om aan te geven hoeveel uren zijn verstreken, en in welke volgorde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. We gebruiken het om verschil te maken tussen heden, verleden en toekomst, en om nú aan te duiden. Tijd is, kortom, een gelaagde ervaring. In ‘Waarom de tijd vliegt’ mengt Burdick wetenschappelijke waarnemingen en filosofische theorieën met zijn persoonlijke ervaringen. De voor jonge ouders verschrikkelijke ochtendklok van baby’s bijvoorbeeld. De interne klok van algen in de vijver bij zijn kantoorgebouw. Zijn tocht naar de Noordpool in Alaska, waar hij ervaart hoe het is als de dag duurt van half mei tot half augustus.

Vliegen

Tijdloosheid is benaderd door experimenten in donkere grotten of op plekken met eindeloos daglicht. Het kan ook door een lange vliegreis te maken, langs de 24 tijdzones van elk een uur breed. Een intercontinentale vlucht is misschien ook wel de ideale gelegenheid om dit boek te lezen. Je ervaart aan den lijve de tijdsverschillen tussen de ene bestemming en de andere. Over het algemeen is er weinig afleiding, dus je kunt goed opletten. Dat vraagt dit boek ook wel van je. Soms zijn de uitweidingen over wetenschappelijke onderzoeken taai. Dan denk je als lezer: ‘Ja ja. Het zal wel, lekker belangrijk, die femto-, atto- en zeptoseconden, of die beschrijvingen van ogenschijnlijk pietluttige experimenten.’ Sla ze gewoon over en geniet van de fascinerende kennis die je opdoet. Na lezing weet je waarom de astronomie aan de basis staat van de tijd die onze klokken aangeven. Hoe en waarom tijdssystemen ons bestaan gemakkelijker hebben gemaakt. En misschien ook wel of de tijd écht vliegt.

 

Alan Burdick

“Waarom de tijd vliegt”

Uitgeverij Meulenhoff Boekerij

ISBN 9 789029 092128

Dit verhaal verscheen eerder in 0024, magazine over Haute Horlogerie

Tweedehands fonkelen

Een minimalist of een bewoner van een tiny house wordt er stapelgek. De hoarder daarentegen vindt het aanbod waarschijnlijk nog te schraal. Maar voor al die andere stervelingen kan het een bijzonder interessante plek zijn. Of eigenlijk: plekken. Want net zoals koffiezaakjes en verantwoordeburger-tenten is hun aantal de laatste jaren fiks gegroeid. Op 1 Oktober, komende zaterdag, hebben ze zelfs een eigen nationale dag.

Tweedehandswinkels zijn van alle tijden natuurlijk. Soms heet de aangeboden waar antiek. Op dit moment heet het eerder vintage, want iets minder oud.  En dan heb je nog kringloopartikelen, te vinden in voormalige scholen, schuren en loodsen. Bij organisaties die meestal draaien zonder winstoogmerk en die werk bieden aan mensen die moeilijk aan een baan komen. Ze heten meestal ook gewoon kringloopwinkel. Hoewel, vaak zijn het eerder warenhuizen.

Want bijna alles is er te koop. Heel veel kleren, schoenen, tassen en sieraden. Veel meuk in de categorie servies, fotolijstjes, posters, kandelaars en glaswerk. En verder vrijwel alles van bedden tot wasmachines, van boeken tot dvd’s, klokken, rollators en speelgoed. De vormgeving kan wat gedateerd zijn, de kwaliteit variërend van rotzooi tot top. Ik vind de kringloopwinkels geweldig.

De Japanse opruimgodin Marie Kondo publiceerde in 2014 een boek met de titel Opgeruimd!, dat uitlegt hoe fijn het is in een ordelijke omgeving te vertoeven. Het vervolg heette, veel inspirerender, Spark joy. De kern van haar boeken is, dat je leven enorm opknapt wanneer je alleen bezittingen hebt waar je plezier aan beleeft. Dus weg met alle overbodige spullen. Ze zette een trend van radicaal opruimen. In het Nederlands wordt dat nu ontspullen genoemd.

Als je passend bij de tijdsgeest ook wilt ontspullen hoef je noch de grofvuildienst in te schakelen, noch je kleinere overtollige have en goed in de vuilniszak te gooien. Het is vrijwel allemaal welkom bij de kringloopwinkel.  Ben je juist een beginnend kamerbewoner, net gescheiden man, elpee-adept, liefhebber van mechanische klokken of toe aan wat jaren zeventig servies, dan vind je het hier. Mooi toch: de een zijn meuk is de ander zijn schat .

Wat ook de reden is om naar een kringloopwinkel te gaan, ik sluit ik me aan bij Marie. Haar motto is ook een heel goed criterium bij alle andere keuzes die je in je leven maakt. Eigenlijk de enige vraag die echt telt: ‘Does it spark joy?’

 

https://kringloopdag.nl/

http://tidyingup.com/

http://www.tinyhousenederland.nl/

https://www.facebook.com/events/672675702885765/

 

kinderbed-auto kringloopwinkel-houten servies-vintage theepotten-vintage

 

Snelheid voor de bange muts

Een marina heet de jachthaven Muiderzand, net over het IJsselmeer ten zuiden van Almere. Dat klinkt zonnig en zuidelijk en wulps, maar in oktober is het er bewolkt en bijna stormachtig. De lijnen van de aangemeerde boten slaan met kracht tegen de masten en maken een geluid als van honderd windgongen.

Vijf heren en ik staan klaar om te gaan whiken. Dat betekent hard scheuren over het kaarsrechte deel van de IJmeerdijk in een ligfiets met een zeil eraan. De heren hebben ervaring met ligfietsen, met zeilen of zelfs met allebei. Ik met geen van de twee. Heel voorzichtig begin ik daarom met ligfietsen. Dat is verrassend comfortabel en snel en geweldig leuk. Al snel durf ik daarom het zeil in te zetten. Met het touw in de linkerhand en zweet op mijn rug loopt mijn snelheid op van vijftien kilometer per uur naar twintig.

Tot het eind van de dijk gaat het geweldig. De terugweg is lastiger, want ik heb eigenlijk geen flauw idee hoe je zo’n zeil moet bedienen. Permanent remmend en zwaar tegen de wind in leunend kruip ik met acht kilometer per uur terug naar het beginpunt. Maar zelfs mutsen zonder rijbewijs kunnen leren kicken op snelheid. Na een uurtje oefenen word ik steeds moediger. En komt het moment dat ik joelend van plezier met vijftig kilometer per uur over de dijk raas.

Volgens mij is dit het vervoermiddel van de toekomst. Snel, schoon en je mag er gewoon mee op het fietspad. Voortaan zeg ik het tegen iedereen die zich nog beklaagt over staan in de file. Mens! Ga dan toch whiken!

IMG_1586

 

IMG_1592

http://whike.com/nl/pagina/25/over-de-whike

http://westy31.home.xs4all.nl/Whike/WoonWerkWhiken.html

Dit stukje verscheen eerder in de serie Milieuvriendelijke uitjes in ledenblad Terra van de Stichting Natuur en Milieu.

Scheidingsfeest

Naast tulpen, fotomodellen en kennis van waterwerken heeft Nederland nog een bijzonder exportproduct. Een dat niet zo sexy klinkt, maar waar we waarschijnlijk allemaal blij mee zijn.

Vijf jaar geleden was het nog ondenkbaar geweest. Na festivals en feesten waren Nederlandse pleinen en straten standaard één grote soep van plastic verpakkingen, blikjes en kots.

Toegegeven, het is nu nog steeds niet automatisch spic en span wanneer een grote horde mensen voor vertier bij elkaar is geweest. Maar wat ik afgelopen weekeinde zag in Utrecht – met 198 Tour de Francerijders korte tijd het centrum van het universum –  was een paar stappen in een betere richting.

Overal stonden vuilnisbakken met de geinige woordspeling We all (re)cycle. En niet zomaar vuilnisbakken. Er waren aparte containers voor plastic, papier en restafval. Het enige wat ontbrak, waren bakken voor al die lege aluminium blikjes.

Zo’n afvalscheiding aan de bron levert, zoals dat heet, een schone fractie op, die je met een gerust hart kunt recyclen. Verder stond verspreid door de stad een groot aantal kranen met gewoon leidingwater. Je kon er je eigen flesje vullen, zodat je niet telkens een nieuw hoefde te kopen.

Omdat het te weinig vuilnisbakken waren voor 425.000 bezoekers , ontstonden her en der toch landschappen van afval. Vaak rondom diezelfde vuilnisbakken, dus de Tourgangers waren beslist van goede wil.

Wat daarna indruk op me maakte, was hoe snel de reinigingsdienst de boel weer had schoongeveegd en afgevoerd naar recyclers en verbrandingsinstallaties. Nederland is in krap een halve eeuw veranderd van een land vol stortplaatsen naar een met zo’n beetje de beste infrastructuur voor afvalinzameling en –verwerking. Allerlei landen vragen of we die kennis en ervaring willen delen.  Wat dan ook vaak gebeurt. Niet sexy misschien. Wel veel beter voor het milieu, en dus voor jou, voor mij, voor iedereen.

http://www.tourdefranceutrecht.com/

2015-07-04 11.09.55

 

2015-07-05 14.05.10

 

Lefgozers (en grieten)

Als een oceaanstomer in beweging komt, heb je hem niet zo snel op een andere koers. Maar àls je die koers verandert, al is het een klein beetje, heeft dat uiteindelijk een groots effect. Ik verwacht hetzelfde bij de verandering die energiebedrijf E.on heeft aangekondigd: de totale afschaffing van energieopwekking uit fossiele bronnen en kernenergie.

Nu is E.on in Nederland niet zo groot, maar in Duitsland wel. Het is dus een behoorlijke stap, en terecht voorpaginanieuws, afgelopen week. En als E.on het voorbeeld geeft, moeten alle andere energiemaatschappijen zich afvragen wat voor strategie zij dan willen gaan volgen. In Duitsland zelf moeten sowieso in 2022 alle kernenergiecentrales gesloten zijn. Bovendien vragen consumenten en producenten steeds vaker om duurzame energie.

Het aardige is dat veel energie al geregeld ter plekke opgewekt wordt. Zonder de omslachtige methode van kolen en biomassa aanvoeren naar een centrale fabriek, ze omzetten in stroom of gas en via een uitgebreid buizenstelsel vervoeren naar woningen en werkplekken. Die traditionele manier is al lang niet meer de enige mogelijkheid om warm en droog te blijven en onze economie te laten draaien.

In de Belgische Ardennen heeft een bosbouwbedrijf annex houtzagerij op haar eigen terrein een vergister gebouwd, waarin ze van houtafval genoeg stroom maakt voor het hele bedrijf. Een boer op de Veluwe vergist de mest van zijn koeien, en verwarmt daarmee behalve zijn woning ook het water van het gemeentelijk zwembad een eind verderop. Op kleinere schaal: op steeds meer daken in Nederland liggen zonnepanelen.

In Haarlem staat het schoolgebouw Plein Oost, dat zelfs helemaal geen energie van buiten nodig heeft. Stroom komt van vijfhonderd zonnepanelen op het dak, warm water uit zonnecollectoren en warmte uit een warmte-koudeopslag installatie. Om te zorgen dat zo min mogelijk warmte verloren gaat is het pand extreem goed geïsoleerd. Desondanks is het binnen geen muffe boel, want een deel van de zelf opgewekte stroom laat een goed luchtverversingssysteem functioneren.

Als het al nieuwjaar was, zou ik het besluit van E.on het mooiste begin van het nieuwe jaar noemen. Nu zeg ik: een prachtige Sintsurprise. Maar dan echt.

http://www.eon.nl/thuis/nl/over-eon/mediacentrum/news-articles/2014/12/1/nieuwe-eon-strategie-betere-focus.html

http://www.ibv-cie.be/nl/energiesector.php

http://www.bosbadputten.nl/index.php?paginaID=43

http://www.degroenemug.nl/pages/klimaat-in-uitvoering/duurzame-energie/energieneutrale-school-plein-oost.php

Centrale Maasvlakte vooraanzicht

Motormuis

Bij motorrijden denk ik, onterecht natuurlijk,  vooral aan mannelijke veertigers die hun voorspelbare bestaan opeens zat zijn. Zij hopen hun levensvreugde terug te vinden in een motor, en soms gebeurt dat ook. Zeker wanneer ze het kunnen combineren met een vijftien jaar jongere vriendin en een flatje, ergens.

Bij motorrijden denk ik ook, deels terecht, aan getatoeëerde kerels met baarden, die in obscure schuurtjes mannelijk zitten te wezen met hun bikes, bier en bitches. De schuurtjes blijken vaak niet zomaar jongensholen. Er gebeuren onduidelijke criminele dingen, en er wordt weleens al te serieus oorlog gevoerd met andere motorclubs waarbij zelfs doden vallen. Voor deze motorrijders bestaat er meestal maar één merk dat serieus een motor mag heten: Harley-Davidson.

Hoe verfrissend dan dat Harley-Davidson nu samen met een club die The Nature Conservancy heet, het plan heeft tot 2025 (dat is nog maar tien jaar vanaf nu) wereldwijd vijftig miljoen bomen te planten. In cijfers ziet het er nog indrukwekkender uit: 50.000.000, en dat zijn er véél.

Bij Harley-Davidson vinden ze dat helemaal niet gek. Het bedrijf doet al langer bewust aan duurzaamheid. Het lanceerde zelfs zo iets softs als een elektrische motor, wat voor een beetje motormuis toch het equivalent moet zijn van een scootmobiel. Maar bij HD weten ze dat je pas echt lekker rijdt over een weg omzoomd door veel groen, en dus zorgen ze dat dat er komt. De eerste 100.000 bomen zijn al geplant langs de Atlantische kust in Brazilië, de tweede 100.000 in de Noord-Amerikaanse staat Virginia.

Dealers en clubs worden aangemoedigd om boomplantcampagnes te organiseren. Klanten en fans kunnen ook een donatie doen aan The Nature Conservancy. Wat de motorrijders in Nederland kunnen bijdragen is nog niet duidelijk. Maar het initiatief van Harley-Davidson in de USA is in elk geval een heel mooi begin.

http://www.harley-davidson.com:80/content/h-d/en_US/video.html?referenceid=en_US/company/sustainability/HD_Renew_The_Ride_FINAL_x264

renew-it-starts-in-our-backyard

http://www.harley-davidson.com/content/h-d/en_US/company/renew-the-ride.html

http://duurzaam-actueel.nl/harley-davidson-presenteert-elektrische-livewire-motorfiets-brussel-en-utrecht/

 

Meisjes poepen niet…

…en mooie meisjes al helemaal niet, zo wist mijn vader zaliger.  Hij vertelde het altijd met grote stelligheid, en wie zou willen ingaan tegen zoveel ouderlijke wijsheid?

Dan blijven er dus 3 ½ miljard mannen over die dat wél doen. Voorwaar een berg mest waar niet valt naast te kijken, en waarin, net zoals in dierlijke mest, allerlei nuttige stoffen zitten. In sommige agrarische samenlevingen wordt het daarom gewoon in de akkers geploegd. Dat deden we hier lange tijd ook. Het leidde wel vaak tot besmetting en herbesmetting met allerlei soorten wormen.

Nu we bijna allemaal toiletten binnenshuis hebben (vaak zelfs zonder raam, gatver!) die uitmonden in het riool, is dat voltooid verleden tijd. Zomaar wegspoelen en naar zee afvoeren is echter zonde. Zoals er boeren zijn die de mest van hun koeien vergisten en daar nabijgelegen zwembaden mee verwarmen, gebruikt men in het Engelse Bristol sinds kort menselijke mest om brandstof voor een bus te genereren.

Het gaat voorlopig nog om één lijndienstbus, die rijdt van Bristol naar Bath. Als vijf heren een jaartje poepen levert dat genoeg gas op voor een volle tank biomethaangas. Daar kan de bus driehonderd kilometer op rijden. De verbrandingsmotor stoot ook nog eens dertig procent minder CO2 uit dan een gangbare dieselmotor.

Het gas wordt geproduceerd bij de Bristol Rioolzuiveringswerken in Avonmouth, uit een combinatie van poep en wat eraan voorafgaat, voedsel. Wel in afvalvorm dan hè? Het samengeperste gas wordt opgeslagen in tanks op het dak van de Bio-Bus.

In bussen en sowieso in het openbaar vervoer zitten trouwens vaak meer vrouwen en jongeren dan mannen. Zoals de grootste kerel aller tijden, Maggie Thatcher, zei: A man who, beyond the age of 26, finds himself on a bus, can count himself as a failure. Mooi toch, dat de heren dan in ieder geval de buskilometers voor de dames bij elkaar kunnen kakken.

http://www.autojunk.nl/2014/11/biobus-rijdt-op-poep

 

 

Biobus1